natuurkalender mei 2026
Ondanks een lange koele periode was de meimaand warm. Het begon zelfs zomers. Daarna brak een lange periode aan met koel weer, maar de laatste tien dagen verliepen opnieuw zomers tot zelfs tropisch warm. Op 26 mei steeg het kwik zelfs tot ver boven de 30 ° C.
Dat laat onverlet dat het in de natuur vaak heerlijk toeven was. Als te doen gebruikelijk werden er met name in deze maand extra veel natuuropnames aangeleverd met zeer uiteenlopende soorten. Het waren er dermate veel dat we hebben besloten om geen 25, maar 30 foto’s te plaatsen, alle voorzien van de nodige toelichting.
Vanuit de vogelwereld zijn dat deze keer: kraanvogel, vink, oehoe, wielewaal, tureluur (bonte) kauw, hybride gele kwikstaart x Engelse kwikstaart, roodschouder- of ringtaling gekraagde roodstaart, roodpootvalk, bijeneter, dwergaalscholver en waterspreeuw.
De dagvlinders waren goed voor: bont dikkopje, zilveren maan, veldparelmoervlinder, blauwe ijsvogelvlinder en kleine nachtpauwoog. Uit de florawereld werden gemeld: zachte ooievaarsbek, vliegenorchis, aangebrande orchis, alsmede wit bosvogeltje.
De wereld der insecten leverde soorten op als: toortsgitje, meikever, blinkende prachtkever, essenprachtblindwants en beekbronzweefvlieg,
Een natuurtrip maar Albanië leverde bijzondere soorten op. De opbouw van de soorten hebben we dit keer extra gemixt, waarbij de (2 - 4) foto’s van elke fotograaf bijeen werden gehouden.
Dat laat onverlet dat het in de natuur vaak heerlijk toeven was. Als te doen gebruikelijk werden er met name in deze maand extra veel natuuropnames aangeleverd met zeer uiteenlopende soorten. Het waren er dermate veel dat we hebben besloten om geen 25, maar 30 foto’s te plaatsen, alle voorzien van de nodige toelichting.
Vanuit de vogelwereld zijn dat deze keer: kraanvogel, vink, oehoe, wielewaal, tureluur (bonte) kauw, hybride gele kwikstaart x Engelse kwikstaart, roodschouder- of ringtaling gekraagde roodstaart, roodpootvalk, bijeneter, dwergaalscholver en waterspreeuw.
De dagvlinders waren goed voor: bont dikkopje, zilveren maan, veldparelmoervlinder, blauwe ijsvogelvlinder en kleine nachtpauwoog. Uit de florawereld werden gemeld: zachte ooievaarsbek, vliegenorchis, aangebrande orchis, alsmede wit bosvogeltje.
De wereld der insecten leverde soorten op als: toortsgitje, meikever, blinkende prachtkever, essenprachtblindwants en beekbronzweefvlieg,
Een natuurtrip maar Albanië leverde bijzondere soorten op. De opbouw van de soorten hebben we dit keer extra gemixt, waarbij de (2 - 4) foto’s van elke fotograaf bijeen werden gehouden.
|
Van dezelfde fotograaf is ook een opname van deze fraaie nachtvlinder, de Kleine Nachtpauwoog (Saturnia pavonia). Deze soort leeft als vlinder slechts een dag of vijf. In die vijf dagen gaan de mannetjes als razenden op zoek naar een vrouwtje. Vooral op heidevelden zie je ze gestrest overal tegenop vliegen, zoekend naar een vrouwelijke partner. Deze hangt overdag in rusthouding in hei of boom en wordt ‘s avonds actief. Je kunt deze werkelijk prachtige vlinder in onze regio vinden in gebieden als de Engbertsdijksvenen, het Aamsveen en het Buurserzand. Ze zijn niet echt zeldzaam maar door hun rusteloosheid lastig te fotograferen. De vliegtijd duurt van april tot eind mei. De mannetjes zijn wat kleuriger en kleiner dan het vrouwtje.
|
Als larve leeft de Meikever (Melolontha melolontha) drie jaar in de bodem, waar deze zich tegoed doet aan de wortels van planten. Na deze periode vliegt hij uit, op zoek naar een partner. Deze grote keversoort leeft bij voorkeur op eiken en beuken. Met een paar weken is het leven eindig voor deze fraaie kever. Het zijn, zoals wij ze van oudsher kennen, mooie dikke “brommers”. Het vrouwtje beschikt overigens over 6 “vingertjes” en het mannetje 7. Overduidelijk is met deze wetenschap bij deze foto het mannetje te herkennen. In onze kindertijd namen we nogal eens meikevers mee in een luciferdoosje naar school en hielden er wedstrijden mee wiens kever het snelst was. Groot was echter de verbazing als tijdens zo’n wedloop het beestje de dekschilden opensloeg (net als op de foto) en met de daaronder liggende vleugels wegvloog.
|
|
Tijdens een ochtendrit naar het Tusveld bij Zenderen vlogen ineens twee Kraanvogels (Grus grus) over. Even later landden ze achter in een weiland, vlak voor de bosrand. De fotograaf in kwestie zette de fiets aan de kant, ging in het gras zitten en wachtte geduldig af. Urenlang bleef het spannend of de vogels dichterbij zouden komen. Tegen de tijd dat de kraanvogels langzaam in de richting van de fotograaf begaven om te foerageren, ging de ochtend over in de middag. Het zonlicht werd weliswaar harder, maar juist door dat felle licht werden de verschillende groentinten van de bomen prachtig opgelicht. De vogels staken daarbij scherp af tegen het Twentse landschap en vormden samen met het licht en de rust een bijzonder tafereel. Na drie uur wachten, viel alles op zijn plek. Al dat geduld bleek de moeite meer dan waard te zijn geweest.
|
|
Een Bont Dikkopje (Carterocephalus palaemonis) is een kleine dagvlinder met opvallende oranje voelsprieten en een stevig behaard lichaam. Dikkopjes behoren tot een groep, die bekend staat om hun snelle, schokkerige vlucht. Leven doen ze vooral in bloemrijke graslanden, heidegebieden en natuurterreinen. Met zijn lange roltong drinkt hij nectar uit bloemen. Terwijl hij daarmee bezig is, neemt hij stuifmeel mee van bloem naar bloem. Zo helpt hij planten bij de bestuiving. De rupsen leven van grassen. Daarom zijn wilde graslanden erg belangrijk voor deze soort. Wanneer bermen te vaak worden gemaaid en bloemen verdwijnen, heeft de vlinder simpelweg minder voedsel ter beschikking en minder plekken om zich voort te planten
De jongste telg binnen onze fotografiegelederen is altijd ~ met name in de insectenwereld ~ op zoek naar zeldzaamheden of bijzondere soorten. In Eys (Zuid-Limburg) ontdekte hij op18-05-2026 het zogeheten Toortsgitje (Cheilosia aerea). Zoals hij het verwoord, is het een megazeldzame zweefvlieg, die slechts door 14 andere mensen ooit in Nederland is waargenomen. Er zijn dan ook maar enkele vindplaatsen (in Zuid-Limburg) waar ze ooit gevonden zijn. Gitjes zijn doorgaans heel lastig op naam te brengen, maar bij deze soort speelt mee dat dit een bekende vindplaats is van deze soort, waarbij een expert middels een microscoop de soort met zekerheid heeft gedetermineerd.
|
De Zachte Ooievaarsbek (Geranium molle) is een kleine wilde bloem uit de familie van de ooievaarsbekken. Het is een kruidachtige bloemplant met zachte behaarde stengels en roze bloemetjes. Ondanks zijn bescheiden uiterlijk speelt dit plantje een belangrijke rol in de natuur. De bloem trekt insecten aan, zoals bijen en zweefvliegen, die nectar verzamelen en tegelijkertijd zorgen voor bestuiving. Zo helpt de plant mee aan het voortbestaan van vele andere bloemen. Na de bloei vormt de zachte ooievaarsbek een opvallend vruchtje dat lijkt op de snavel van een ooievaar. Wanneer het rijp is, springen de zaadjes weg zodat er nieuwe plantjes kunnen groeien. Daarnaast beschermt de plant de bodem tegen uitdroging en draagt hij bij aan de biodiversiteit. De soort laat zien dat zelfs kleine wilde planten van grote waarde zijn voor mens en natuur
|
In de bossen van Elsloo ontdekte hij 10 dagen later ook de hier afgebeelde ~ zeer zeldzame ~ Beekbronzweefvlieg (Sphegina elegans). Deze soort komt alleen voor in bronbossen waar kwelwater aan de oppervlakte komt. Dat zorgt voor een vegetatie, die je niet op veel plekken in Nederland vindt. Er zit op de bewuste locatie veel kalk aan de oppervlakte wat bijzondere planten oplevert en daardoor ook bijzondere insecten. Bronzweefvliegen zijn kleine slanke vliegen met een knuppelvormig achterlijf. Hiervan komen er vijf voor in ons land. Ze zijn eigenlijk allemaal zeldzaam, omdat ze maar weinig geschikte habitats hebben binnen Nederland. Bronbossen zijn vooral in Zuid-Limburg te vinden en zijn ware biodiversiteitshotspots.
|
In hetzelfde gebied en in hetzelfde bronbos werd ook de Essenprachtblindwants (Mermitelocerus schmidtii) aangetroffen, die weliswaar iets minder zeldzaam is dan de vorige soort, maar nog steeds wel te boek staat als zeer zeldzaam. De wants heeft een prachtige geometrische tekening. Iemand anders gaf deze soort ooit eens de zelfverzonnen naam: “Art-decowants”. Als je er over nadenkt, is dat eigenlijk zo gek nog niet. Hij ziet er in ieder geval schitterend uit. Deze blindwants leeft vooral op Es (Fraxinus excelsior) maar ook op Grote brandnetel (Urtica dioica), als die er tenminste onder groeit. Het beestje zuigt sappen uit planten, maar eet ook bladluizen en andere kleine insecten. Dat onze jonge avonturier meer dan blij was met deze drie vondsten, laat zich raden.
|
|
De foto van dit mannetje Gekraagde Roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is vanuit de eigen vogelfotografiehut van de fotograaf gemaakt. Het beestje was ~ zoals te zien ~ toe aan een opknapbeurt, nadat deze een uitgebreid bad had genomen. Een schuilhut heeft meerdere voordelen. Het belangrijkste is dat de vogels naar toekomen en natuurlijk gedrag laten zien. Door de geringere afstand kunnen daarnaast veel scherpere foto’s worden gemaakt. Een ander voordeel is dat de vogels niet worden opgeschrikt of opgejaagd. Je kunt ze daardoor veel gemakkelijker fotograferen in hun "normale doen en laten”. Met vers water zet je ze bovendien aan tot drinken of tot baden. Het gedrag van de vogels kan op deze manier mooi worden bestudeerd. Je kunt er bovendien prima op anticiperen bij het maken van foto’s.
|
|
Ook van een heel normale soort, de Vink (Fringilla coelebs) kun je soms een waar fotografisch kunstwerkje maken. Alles moet dan wel meezitten, zoals schaduwwerking, lichtval en uiteraard een vogel, die precies daar gaat zitten, waar je ‘m graag hebben wilt. In dit geval is dat een mannetjesvink. Als je de foto van afstand bekijkt lijkt het wel een schilderij van een oude meester. Daar komt natuurlijk wel een beetje fantasie bij kijken. Het mannetje ziet er trouwens altijd mooi gekleed uit met z’n roodbruine borst en buik, grijze kop en opvallende witte vleugelstrepen. Hoe meer oude bomen, hoe meer vinken je hebt in de buurt. In onze omgeving is het één van de meest algemene vogelsoorten.
|
In dezelfde categorie zou je ook deze foto kunnen plaatsen. Slechts een klein vleugje licht valt op deze paddenstoel tussen het mos. Het betreft een jong exemplaar van de Gele Ringboleet (Suillus grevillei), die als het ware in de schijnwerpers lijkt te zijn gezet. Als je goed kijkt, zie je zelfs nog een vlieg op de hoed. Het is overigens niet toevallig dat deze paddenstoel daar stond. Je vindt ze namelijk onder lariks en laat die daar nou net een plekje hebben gevonden. Deze ringboleet groeit op voedselarme zand- en leemgronden en staat als kwetsbaar op de Nederlandse Rode lijst van paddenstoelen. Zuinig op zijn dus.
|
|
Voor de variatie passeren nu ook een drietal orchideeënsoorten de revue, te beginnen met deze Aangebrande Orchis (Neotinea ustulata). De soort heeft z’n naam te danken aan de zwartpaarse kleur aan de bovenkant van de bloemen. Die lijkt te zijn aangebrand of zo u wilt geschroeid. Deze orchidee is geheel en al uit Nederland verdwenen. Vanaf 1980 is er geen enkel exemplaar meer gevonden. Bij onze zuiderburen duiken ze heel sporadisch nog wel op. Het zal daarom duidelijk zijn dat de foto niet in ons land is gemaakt, maar in het buitenland; in dit geval de Eifel. De opname is van de hand van de fotograaf met de meeste kennis van de flora binnen onze gelederen.
|
Ook de twee andere opnames van orchideeën, die we u laten zien, zijn van hem. Deze keer werd de floristische kennis uitgebreid in het Duitse plaatsje Lengerich. Dit dorpje staat vooral bekend om z’n kalkflora. In de buurt van de Silberberg werd onder meer deze Vliegenorchis (Ophrys insectifera) aangetroffen. Omdat de bloeivorm behoorlijk klein is, laten we alleen een detailfoto zien, zodat duidelijk wordt hoe deze orchidee aan z’n naam komt. De plant verspreidt trouwens feromonen om bepaalde bestuivers (graafwespen) te lokken. De mannetjes zien de bloem aan voor een vrouwtje en doen vaak meerdere pogingen om te paren met de bloem. De mannetjes zorgen aldus middels stuifmeelklompjes voor kruisbestuiving
|
|
De 3e orchideeënsoort in deze natuurkalender betreft het zogeheten Wit Bosvogeltje (Cephalanthera longifolia). Ook deze orchidee werd bij onze oosterburen op de gevoelige plaat vastgelegd. Zoals bij de meeste orchideeën is aanwezigheid van de juiste bodemschimmels van belang om de soort te doen overleven. Ook een met kalk verrijkte ondergrond is een voorwaarde. Het duurt meestal enkele jaren voordat een orchidee tot bloeien komt. In ons land is het wit bosvogeltje net als de vliegenorchis, zeer zeldzaam. De soort is te verwarren met het Bleek bosvogeltje (Cephalanthera damasonium). In de rubriek (overige) Recente foto’s van mei kunt u genieten van nog veel meer orchideeën.
|
Deze maand werden er ook Blinkende Prachtkevers of Bloemenprachtkevers (Anthaxia nitidula) gefotografeerd, zelfs op twee plaatsen. De mannetjes (te zien op de foto) zijn goudgroen van kleur. De vrouwtjes zijn meer blauwgroen en hebben een rood of koperkleurige kop. Beide geslachten hebben een prachtige gouden glans over het gehele lichaam. De diertjes worden slechts 5 tot 8 millimeter lang, hebben een vrij smal lichaam en opvallend grote ogen. De larven leven van dood hout, vooral de schors van fruitbomen. Hierbij valt te denken aan kers en pruim, maar ook sleedoorn. Het is een warmteminnende soort, die sterk aan het afnemen is. Beschreven staat dat ze uitsluitend in Zuid-Limburg te vinden zouden zijn. De opname is echter gemaakt in Albergen (Twente dus).
|
In een steengroeve in de Achterhoek kon eindelijk ook eens ~ zij het van afstand ~ een opname worden gemaakt van een geslaagd broedgeval van de Oehoe (Bubo bubo), getuige deze foto met daarop tenminste 2 uilskuikens. De nauwe opening bood helaas slechts weinig ruimte om ook het tweede jong goed in beeld te krijgen. Het gaat trouwens verassend goed met de oehoe’s in Nederland. Er worden jaarlijks steeds meer broedgevallen gemeld. Volwassen vogels blijven in de regel in de buurt van de broedplek, maar maken wel kilometerslange jachtvluchten. Daarbij schuwen ze bebouwd gebied allerminst, bijvoorbeeld om op verwilderde duiven en katten te jagen. Op katten zult u zeggen!? Jazeker, want met die enorme klauwen zijn ze heel wat mans. Het is niet voor niets de op één soort na grootste uilensoort ter wereld.
|
|
Dezelfde fotograaf gelukte het ook om in het Lemerveld deze Zilveren Maan (Boloria selene) vastgelegd te krijgen. Ook hier hebben we wederom te maken met een tamelijk zeldzame standvlinder, die vooral voorkomt in het veenweidegebied op de grens van Utrecht en Zuid-Holland, in de kop van Overijssel, in Friesland en op Terschelling. De bovenvleugels zijn oranje met zwarte tekening; op de ondervleugels zijn daarentegen lichtgele en zilverachtige vlekken te zien. De soort bewoont bloemrijke graslanden waar ze nectar drinken uit de paarse bloemen van kale jonker en echte koekoeksbloem. Het is belangrijk dat er ook viooltjes (moeras-, duin- of hondsviooltjes) in de buurt staan, want dat zijn de waardplanten voor de rupsen.
|
Minstens zo mooi is ook deze zijaanzichtfoto van een Veldparelmoervlinder (Melitaea cinxia), gemaakt bij de vliegbasis Twente. Als standvlinder verdween deze soort in 1995 uit Nederland. Vanaf 2008 worden er gelukkig weer op verschillende plaatsen in ons land populaties gemeld, alhoewel het zeker nog niet storm loopt. Half mei verschijnen de eerste vlinders. De dichtheid op de vliegplaatsen is gemiddeld circa 16 individuen per hectare. Veldparelmoervlinders zijn bijna alleen actief bij zonneschijn en vliegen vooral op plaatsen met knoopkruid, margriet, muizenoortje en biggenkruid. De soort is gebaat bij verschralingsbeheer van graslanden of wegbermen.
|
De omgeving van Diepholtz vormt één van de meest indrukwekkende en vogelrijke natuurgebieden van Noordwest Duitsland. Niet alleen in het najaar (kraanvogels), maar ook in het voorjaar is het daar dan ook goed toeven. Uiteraard worden er tijdens excursies, zo ook deze, tal van foto’s gemaakt, waartoe deze opname van een Tureluur (Tringa totanus). De tureluur dankt zijn naam aan het geluid dat de vogel maakt. Dat klinkt zoiets als “tjuuluuluu”. De foto doet veronderstellen dat deze vogel slechts over één poot beschikt, maar dat is uiteraard niet zo. Vooral weide-, water- en strandvogels trekken vaak één poot in om ‘m warm te houden. Daarbij wisselen ze regelmatig van poot.
|
Als natuurfotograaf weten we allemaal hoe lastig het is om een Wielewaal (Oriolus oriolus) en dan vooral de mannetjes voor de lens te krijgen. Dat is met optische apparatuur al lastig, maar met de camera al helemaal. Eén der onzen is dat deze maand echter alleraardigst gelukt. Wat te denken van dit fraaie mannetje met zijn opvallende geelzwarte outfit! Je moet niet alleen het geluk hebben dat ze heel even vrij komen te zitten, maar vooral ook veel geduld. Het zijn immers meesters om zich in het groene bladerdek te verstoppen. De soort is vanaf eind april, begin mei weer in onze contreien te bewonderen.
|
|
Over afwijkingen gesproken. Bij het zien van de hier afgebeelde foto kwam al gauw de gedachte op: “Hebben we hier wel of niet te maken met een loepzuivere Gele Kwikstaart (Motacilla flava)?”. Hoe meer we de foto hebben kunnen bekijken, hoe meer we ook zien van het verenkleed van een Engelse Gele Kwikstaart (Motacilla flavissima). Vooral het vele geel bij de kop en het weinige echte grijs op de kruin zorgt voor de nodige twijfel. Er is altijd veel te doen over al die verschillende ondersoorten van de gele kwik. Dat zorgt ervoor dat er voortdurend vraagtekens worden gezet bij de juiste determinatie. Om er nog maar een schepje bovenop te gooien: Dit exemplaar heeft verdacht veel weg van een hybride; kortom een kruising tussen een Gele kwikstaart en een Engelse kwikstaart. Wie het zeker weet mag het zeggen.
|
|
Met enige regelmaat komen we in de vrije natuur vogels tegen met afwijkingen in het verenkleed. Dat is ~ zoals te zien op de foto ~ ook het geval bij deze Kauw (Corvus monedula). Bij kraaiachtigen is er niet zelden sprake van pigmentverlies in de jeugdveren als gevolg van slechte voeding. De oudervogels hebben de jongen in de nestperiode dan mogelijk voedsel van slechte kwaliteit aangeboden. Niet zelden is er sprake van achtergelaten “junkfood”. Dat zou ook bij deze kauw het geval kunnen zijn. Net als mensen maken sommige vogels bij het ouder worden steeds minder pigment aan. Het begint met her en der een paar witte veren en ieder jaar worden dat er dan meer. Dat noemt men met een Engelse term “progressive greying”. Ook dat kan de oorzaak zijn van de afwijking bij deze “bonte” kauw.
|
|
We zijn nu toe aan een zevental foto’s, die twee fotografen van ons hebben gemaakt tijdens een natuurtrip door Albanië. Allereerst maar eens dit fraaie mannetje van de Roodpootvalk (Falco vespertinus), die op dat moment bezig was met het wegwerken van een braakbal. We hadden waarschijnlijk het geluk dat de vogels (ruim 15 hebben we er geteld), nog maar net terug waren vanuit hun overwinteringsgebied in zuidelijk Afrika. Het zijn dan ook echte lange afstandstrekkers. Net als kleine torenvalken broeden ze in kolonieverband en zijn ongeveer even groot. Broeden doen ze in Oost-Europa en nog veel verder oostelijk tot in Kazachstan en Midden-Siberië. Het voedsel bestaat uit grote(re) insecten, vooral sprinkhanen en libellen. Muizen worden evenmin versmaad.
|
Bij dit exemplaar, wat bij de Oelemars in Losser werd gefotografeerd, is dan wel geen sprake van enigerlei kleurafwijking in het verenkleed, maar dit beestje hoort hier officieel niet thuis. We hebben in dit geval namelijk te maken met een Roodschouder- of zo u wilt Ringtaling (Callonetta leucophrys). Het is zeer waarschijnlijk weer één van de vele vrij gelaten of ontsnapte eendensoorten, die ons land “rijk” is. Het is dan ook een exoot, die van origine afkomstig is uit Zuid-Amerika (Zuid-Brazilië en Zuidoost-Bolivia tot Argentinië). Zoals bekend zal zijn, worden deze eendjes n ons land veelvuldig gehouden in sierwatervogelcollecties.
|
|
We behandelden eerst het mannetje van de roodschoudertaling, daarna het mannetje van de roodpootvalk en dan nu het mannetje van de Roodkopklauwier (Lanius senator). Ze passen mooi in hetzelfde rijtje. De vogel ging er speciaal voor ons eens echt voor zitten, zodat er mooie opnames konden worden gemaakt van deze fraaie soort, waarvan we er in Albanië meerdere hebben gezien. Tot in de jaren vijftig broedde de roodkopklauwier gewoon nog in Nederland, sindsdien is hij als broedvogel uit ons land verdwenen. Merkwaardigerwijs zijn de broedgebieden van deze soort steeds zuidelijker komen te liggen. Vooral tijdens de voorjaarstrek worden er in mei evenwel nog geregeld exemplaren gezien in ons land.
|
|
Eén van de hoogtepunten tijdens onze trip door Albanië was zonder twijfel een bezoek aan een grote kolonie Bijeneters (Merops apiaster). Eigenlijk was het geen bezoek, maar meer een toevalstreffer. Zoals op veel plaatsen zagen we namelijk dat op een plek in de Fieri regio wel erg veel bijeneters vlogen. Toen we een weggetje inliepen om wat vluchtfoto’s te maken, stuiten we pardoes op een kolonie van pakweg 150 tot 200 paar bijeneters. Prachtig om te zien al die bedrijvige en snelle vliegers. Sommige bovengrondse elektriciteitsdraden bogen zelfs behoorlijk door, omdat er soms wel een stuk of dertig/ veertig op zaten. Het broedseizoen was nog niet echt begonnen, maar toch vloog het af en aan naar de reeds aanwezige of de pas gegraven nestgaten van een aantal aaneengesloten steilwanden. We plaatsen hier slechts één foto van deze exotisch aandoende vogelsoort. Meer foto’s zijn te vinden bij de rubriek (overige) Recente foto’s.
|
|
Bij een bergbeekje in de regio Vlorë viel ons oog plots op een grijsachtige vogel, wat bij nader inzien een juveniele Waterspreeuw (Cinclus cinclus) bleek te zijn. De naam suggereert dat deze soort thuishoort in de spreeuwenfamilie, maar dat is geenszins het geval. Ze houden zich bij voorkeur op bij snelstromend water met wat hoogteverschillen. De eileg kan in Midden-Europa al medio maart plaats hebben gevonden, hetgeen dit uitgevlogen jong op 08 mei jl.. verklaart. De vogels zoeken hun voedsel in, maar vooral onder water. Tegen de stroom in bewegen deze uitstekende zwemmers zich in feite met vleugels en poten voort. In Europa komen twee ondersoorten voor: In Midden-Europa is dat de ondersoort C.c.aquaticus (roodbuikwaterspreeuw) en In Noord-Europa leeft de nominaatvorm (C.c.cinclus), oftewel de zwartbuikwaterspreeuw
|
|
De laatste vogelsoort in deze natuurkalender wordt weliswaar niet bedreigd, maar is ook niet bepaal algemeen. Te zien is de Dwergaalscholver (Microcarbo pygmeus), die zijn vleugels aan het drogen is op een paal in het Meer van Shkodër, oftewel Lake Skadar. Het meer ligt op de grens van Montenegro en Albanië. Het is met een oppervlakte van minstens 368 km² het grootste meer van Zuid-Europa. De vogel zelf is relatief klein (45 tot 55 cm) en weegt 565 tot 870 gram. Daarmee is de dwergaalscholver ongeveer twee keer zo klein en drie keer zo licht als de (gewone) aalscholver (Phalacrocorax carbo). Zoals te zien op de foto is het beestje te herkennen aan z’n bruine kop en een donker lichaam. Vanwege de zon glanzen de vleugeldekveren zilverachtig en blauwgroen.
|
Het is alweer enige tijd geleden dat schrijver dezes een Blauwe ijsvogelvlinder (Limenitis reducta) voor de lens heeft gehad. Deze fraaie dagvlindersoort hebben we al eens eerder kunnen fotograferen in Griekenland, Tsjechië en Georgië en nu dus ook in Albanië. In Spanje, Frankrijk en Italië schijnen ze ook voor te komen. De vlinder geeft de voorkeur aan warme tot zeer warme plaatsen in bossen bij beekjes en andere vochtige plaatsen. In dit geval was dat het Nationale Park Divjakë-Karavasta. De soort behoort tot de familie van de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders. Hoogst zelden heeft de blauwe ijsvogelvlinder als dwaalgast ons land wel eens aangedaan. Vliegen doen ze van mei tot en met augustus
|
|
In hetzelfde nationale park kon ook deze Vierstreepslang (Elaphe quatuorlineata) op de gevoelige plaat worden vastgelegd. Het dier lag ~ zo te zien ~ op het wateroppervlak te zonnen en liet zich gemakkelijk fotograferen. Na een poosje zwom het dier op een sierlijke manier via het water weg, zoals ook ringslangen dat doen. Hoe het beestje aan z’n naam is gekomen lijkt op de foto wel duidelijk. De basiskleur van de slang is erg variabel maar is meestal olijfgroen tot bruin met donkere strepen, die zwart of donkerbruin van kleur kunnen zijn. De vierstreepslang is niet giftig. Het betrof een behoorlijk uit de kluiten gewassen beest met een lengte van ruim anderhalve meter. Ze komen voor in Zuidwest Azië en Zuidoost-Europa. Met deze foto sluiten we de meimaand onzes inziens in steil af.
|
Samenstelling: Wim Wijering E-mail: [email protected] Tel. 06.46202123
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink, Jaimey Wilbers, Gerard Benerink en Johan Drop.
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink, Jaimey Wilbers, Gerard Benerink en Johan Drop.
We hebben samen nog veel meer natuurfoto’s gemaakt. Die staan in een andere fotorubriek; evenwel zonder toelichting. Klik op “Hier” of surf eenvoudigweg naar de rubriek “Recente Foto’s” om nog veel meer mooie foto’s (ook van Albanië) te bekijken.