natuurkalender juni 20256
De achter ons liggende maand verliep zeer warm, erg zonnig, maar ook nat. De maand begon warm en droog, maar al snel volgden (onweers)buien. Van 18 tot en met 29 juni heerste in ons land een hittegolf, die op 26 juni piekte met een recordtemperatuur van bijna 40 ° C. De extreme hitte zorgde zelfs voor de codes oranje en rood. Ook viel er op meerdere dagen veel regen, plaatselijk soms meer dan 60 millimeter, gepaard gaande met hagel en bliksem die veel schade aanrichtten.
We hebben tussen alle extremen door toch weer menige bijzondere opname kunnen maken. Uit de vogelwereld komen achtereenvolgens aan bod: zwartkop, houtduif, holenduif en grote bonte specht, pimpel en kuifmees, bonte vliegenvanger, kievit, casarca, koereiger, rode wouw, kerkuil, zanglijster, groenling en tjiftjaf.
De vlinderwereld komt alvast op gang met soorten als: hoornaarvlinder, Jakobsvlinder, goudvenstertje, kleine ijsvogelvlinder, icarusblauwtje en heideblauwtje. De bloemetjes werden evenmin vergeten. Zo passeren soorten als: mannetjesereprijs, beenbreek, gevlekte orchis en welriekende nachtorchis de revue.
De overige foto’s hebben betrekking op: krasser, netpluimpje (2 x) en een fantastische foto van de wolkbreuk op 19 juni j.l. Hopelijk weet u het met veel zorg vervaardigde en uitgekozen fotomateriaal te waarderen.
Nu eerst maar een aantal opnames van onze gevederde vrienden.
We hebben tussen alle extremen door toch weer menige bijzondere opname kunnen maken. Uit de vogelwereld komen achtereenvolgens aan bod: zwartkop, houtduif, holenduif en grote bonte specht, pimpel en kuifmees, bonte vliegenvanger, kievit, casarca, koereiger, rode wouw, kerkuil, zanglijster, groenling en tjiftjaf.
De vlinderwereld komt alvast op gang met soorten als: hoornaarvlinder, Jakobsvlinder, goudvenstertje, kleine ijsvogelvlinder, icarusblauwtje en heideblauwtje. De bloemetjes werden evenmin vergeten. Zo passeren soorten als: mannetjesereprijs, beenbreek, gevlekte orchis en welriekende nachtorchis de revue.
De overige foto’s hebben betrekking op: krasser, netpluimpje (2 x) en een fantastische foto van de wolkbreuk op 19 juni j.l. Hopelijk weet u het met veel zorg vervaardigde en uitgekozen fotomateriaal te waarderen.
Nu eerst maar een aantal opnames van onze gevederde vrienden.
|
Als natuurfotografen gaan we vaak op avontuur, op zoek naar bijzondere soorten en het perfecte moment in de natuur. Soms vergeten we echter hoeveel schoonheid er gewoon dichtbij huis te vinden is. Deze foto laat dat op een prachtige manier zien. Kijk maar eens naar deze vrouwelijke Zwartkop (Sylvia atricapilla), herkenbaar aan haar bruine petje in tegenstelling tot het zwarte petje van het mannetje. De vogel zit rustig tussen de takken, volop genietend van de krenten van een Amerikaans krentenboompje. Geen verre reis, geen bijzonder natuurgebied, gewoon een klein stil moment in het centrum van Borne. Gewoon een foto, gemaakt vanuit de werkkamer. Het laat zien dat natuur zich niet alleen op verre plekken laat vinden
|
Het Amerikaanse krentenboompje is een favoriet onder de vogels. Dat is te zien aan de gezellige drukte die er vaak omheen ontstaat. Naast de zwartkop, die we al eerder noemden, kwamen ook koolmees, pimpelmees, merel (met hun jongen) en de houtduif (ook met hun jongen) regelmatig langs voor een hapje. Deze afgebeelde jonge Houtduif (Columba palumbus) was trouwens elke dag met zijn ouders aanwezig om lekker te smikkelen van de krenten. Jonge houtduiven zijn te herkennen aan het gemis van de witte halsvlek, die adulte vogels wel hebben
|
Bij deze foto zou je ook van alles kunnen verzinnen, maar dat doen we toch maar niet. Wat u hier ziet zijn twee verschillende jonge vogels, die elkaar waarschijnlijk voor het tegenkomen op de tak van een lariks. Het lijkt op de foto alsof ze elkaar niet aan durven kijken. De linker is het jonkie van een Pimpelmees (Cyanistes caeruleus) en de rechter het jonkie van een Kuifmees (Lophophanes cristatus). Beide soorten behoren tot het mezengilde, als ook tot de bosvogels. In de winter zie je dat vooral mezen in gemengde groepen leven en samen foerageren. Het kan maar zo dat ze in dat jaargetijde weer met elkaar zullen optrekken. Dan is de eerste kennismaking in ieder geval al achter de rug.
|
Een andere duivensoort, die we steeds vaker - ook in stad en dorp - kunnen tegenkomen, is de Holenduif (Columba oenas). We noemen ‘m veelal het kleinere neefje van de houtduif. De soort is te herkennen aan zijn kleinere formaat, de groenige zweem aan de hals en de zwarte streepjes op de vleugels. Bij deze foto van een confrontatie tussen een hooghartige holenduif en het vrouwtje van een grote bonte specht zou je er allerlei denktranten op na kunnen houden. Wat dacht u bijvoorbeeld van: “Wie denk je wel dat je bent” en “Durf eens dichterbij te komen”. We laten het evenwel graag aan uw eigen fantasie over. Met beide soorten gaat het overigens voor de wind.
|
|
Juni is de maand waar veel jonge vogels voor het eerst uitvliegen en proberen het eerste levensjaar door te komen. Dat geldt ook voor deze Bonte Vliegenvanger (Ficedula hypoleuca), die trouwens bij het zien van de foto aanvankelijk voor wat verwarring zorgde. De jonge vogel op de foto lijkt namelijk erg veel op een jonge grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata). Dat komt vooral door de gespikkelde kopveren en de striping op de borst. Als je echter goed kijkt, dan zie je de witte kenmerkende tekening op de vleugeldekveren. Bonte vliegenvanger dus. Die tekening ontbreekt namelijk bij z’n neefje. Het percentage vogels wat het eerste jaar overleeft is klein. Het overgrote deel sterft als gevolg van predatie, ondervoeding, ziektes, parasieten, de dood van oudervogels etc.
|
|
Ook bij de nu volgende soort kan er zo maar verwarring ontstaan. Begin juni werd deze vliegende Kievit (Vanellus vanellus) vastgelegd in het prachtige Haaksbergerveen. Kijk nu eens naar die lichte, bruinige randen aan de dek- en schouderveren. Ze geven de bovendelen een geschubde look! Nu komt de vraag: is dit een jong van dit jaar dat al vroeg vliegvlug is geworden of is het toch een vogel met als status: 2 KJ (tweede kalenderjaar)? Gezien de hoeveelheid schubjes en het feit dat een vogel in zijn tweede kalenderjaar waarschijnlijk minder schubjes op de vleugels heeft, zijn we geneigd te denken dat het een vroeg jong is van dit jaar.
|
Nu onze focus toch ligt bij jonge vogels, past ook deze foto mooi in dit rijtje thuis. Bij de Oelemars in Losser werd in de kalendermaand dit Casarcavrouwtje (Tadorna ferruginea) met drie jonkies in haar kielzog, getraceerd. Casarca-vrouwtjes zoeken holtes om eieren te leggen en deze uit te broeden. Dat kan een hol in de aarde zijn, een boomholte, maar ook een gat in een stapel stenen of een opening in een oude muur. Het legsel telt 8-12 eieren, die bijna een maand worden bebroed, voordat ze uitkomen. De jongen zijn nestvlieders en kunnen meteen lopen en zwemmen. Ze volgen hun moeder overal waar ze heen gaat. De Nederlandse broedvogels van deze soort zijn waarschijnlijk allemaal nazaten van indertijd al dan niet ontsnapte of vrijgelaten vogels. De soort rukt in wilde staat echter wel steeds meer op vanuit Duitsland. Van origine komt de casarca voor van zuidelijk Europa tot Midden-Azië, noordwestelijk Afrika en Ethiopië.
|
De Koereiger (Bubulcus ibis) is in ons land met een enorme opmars bezig. Steeds vaker zien we deze reigersoort, met name in het noorden van onze provincie (Overijssel). Zoals op de foto te zien, hebben deze vogels een opvallend verenkleed. Het mannetje, zowel als het vrouwtje, hebben in de broedtijd een haast oranje kuif, borst en dekveren. Leven doen ze hoofdzakelijk van insecten. Het eerste succesvolle broedgeval in Nederland dateert van 2021. Momenteel broeden er al enkele tientallen broedparen in ons land. De vogels hebben Afrika als hun oorspronkelijke thuisland, waar ze massaal voorkomen. Via Zuid-Europa zijn ze geleidelijk ook in ons land terecht gekomen. Ze houden zich graag op tussen het vee, wat ervoor zorgt dat tijdens het grazen de insecten loskomen.
|
|
Waar het ook goed mee gaat in ons land, is de Rode Wouw (Milvus milvus), die ook deze maand op de kiek kon worden gezet. Voor deze soort hoef je tegenwoordig niet meer naar het buitenland. Het eerste succesvolle Nederlandse broedgeval van deze aas etende roofvogel dateert al uit 1977. Deze destijds heel bijzondere verrassing werd vastgesteld in het Duivelshof bij de Lutte. Sindsdien zijn er mondjesmaat meerdere broedgevallen in Twente vastgesteld. De afgelopen jaren heeft deze sierlijk vliegende roofvogelsoort echter een meer dan vaste plek in ons verenigingsgebied weten te verwerven. Geregeld worden ze dan ook in onze contreien gespot, zoals dit exemplaar wat op 05 juni j.l. in het Beuningerachterveld kon worden vereeuwigd. Let vooral eens op de lange, diep gevorkte staart.
|
|
Binnen onze Vereniging mag de Kerkuil (Tyto alba) rekenen op veel extra aandacht. Het zijn dan ook prachtige dieren, als je tenminste in de gelegenheid bent om ze van dichtbij te kunnen bekijken. Kerkuilen leiden namelijk een teruggetrokken leven en worden pas als het donker is actief. Dat is ook te zien aan de koolzwarte ogen. Jagen doen ze vooral op veldmuizen. Elk jaar worden er van verenigingswege pakweg 130 kerkuilenkasten gecontroleerd. De bezetting hiervan fluctueert nogal. Na enkele slechte broedseizoenen belooft het in 2026, net als in 2023 weer een goed jaar te gaan worden. Dat heeft alles te maken met de 3 – 4-jarige cycli van de veldmuis. Er zijn inmiddels al broedsels met 8 jonge kerkuilen gemeld. Tijdens één van de nestkastcontroles kon ook deze adulte Kerkuil op de gevoelige plaat worden gezet.
|
Tot de vogels, die wat gemakkelijker kunnen worden opgespoord en gefotografeerd, behoort de Zanglijster (Turdus philomelos). Deze soort is goed te herkennen aan de pijlvorige vlekjes op borst en buik. In onze jeugdjaren hebben we deze lijstersoort echter vooral aan zijn zang leren kennen. Als ezelsbruggetje in het repertoire hadden we al vroeg door dat er veel ie-klanken in voorkwamen, die geregeld herhaald werden. Zoiets als: pietje, pietje, marietje, marietje. Ook wisten we al vroeg dat de binnenkant van het komvormige nest met modder werd bekleed en dat de eieren blauw waren met zwarte spikkels. Ook de bekende lijstersmidse staat nog steeds in ons geheugen gegrift.
|
De Groenling (Chloris chloris) behoort ook tot de vogelsoorten, die doorgaans wat gemakkelijker in beeld komen. Toch bestaat de indruk dat het de soort al geruime tijd niet meer voor de wind gaat. Vanaf 2015 is er bijvoorbeeld qua aantallen sprake van een daling. Dat is vooral in het stedelijk gebied te merken. Waarschijnlijk houdt dit verband met de parasitaire ziekte “Het Geel (“Trichomonias”), die grote effecten op de populatie heeft gehad en wellicht nog heeft. Op de foto ziet u een fraai mannetje. Hoe het beestje aan z’n naam is gekomen, is meteen duidelijk. Het is een vinkachtige en daarom een echte zaadeter. Wellicht is het niet bij iedereen bekend, maar zaadeters zijn beslist gebaat bij wat extra voedsel in het broedseizoen. In het voorjaar is er namelijk niet zelden een tekort aan zaden. Huismussen, vinken, putters en groenlingen gaan dan ook door voedselgebrek veel vaker in het voorjaar dood dan in de winter. In die periode voeren we immers flink bij.
|
|
Juni is meestal niet de beste maand om vlinders te fotograferen. De tijd van de voorjaarsvlinders is namelijk voorbij en de meeste zomervlinders moeten dan nog komen. Toch hebben we vanwege de hoge temperaturen en de grote hoeveelheid zonuren van de afgelopen tijd best al een aantal leuke soorten op de gevoelige plaat weten vast te leggen. Wat te denken van deze Hoornaarvlinder (Sesia apiformis), een soort uit de familie wesp- of glasvlinders. Deze nachtvlindersoort lijkt op een wesp, maar steekt niet. Let ook eens op de doorzichtige vleugels. Een ontmoeting met deze vlinder lukt alleen in juni of juli en dan nog alleen op zonnige dagen. De waardplant is vooral populier en soms wilg
|
Op dezelfde locatie kon ook deze Tjiftjaf (Phylloscopus collybita) worden vereeuwigd. Het is een onopvallend zangertje, hier “gevangen “op een dode tak met korstmos. Tjiftjaffen lijken sterk op fitissen. In het voorjaar en de vroege zomer zijn de mannetjes echter gemakkelijk uit elkaar te houden op grond van hun zang. De overige verschillen zijn marginaal. Doorgaans heeft de tjiftjaf donkerder poten en wat minder geel in het verenkleed dan de fitis en is daarnaast ook wat grauwer van kleur. Verder heeft d’ ie een minder opvallende wenkbrauwstreep. Op bijgaande foto zijn de donkere, bijna zwarte poten van dit exemplaar, goed te zien.
|
|
Een stuk algemener is de Jakobsvlinder (Tyria jacobaeae), die we tot voor kort kenden als Sint-Jakobsvlinder. Deze dagactieve nachtvlinder behoort tot de familie van de zogeheten spinneruilen. Het is een opvallende verschijning door de zwarte voorvleugel met twee rode stippen langs de achterrand en een rode streep langs zowel de voorrand als de binnenrand. Als ze vliegen is de felrode achtervleugel met zwarte randen te zien. De opvallende geel met zwarte (zebra)rupsen zitten overdag open en bloot op de waardplant (Jakobskruiskruid). Ze eten vooral de bladeren en de bloemen. Als er erg veel rupsen bij elkaar zitten, laten ze slechts kale stengels over.
|
Ook het Goudvenstertje (Plusia festucaeis) een nachtvlinder. Het beestje behoort tot de familie van de uilen. Soms is ook deze soort overdag actief, zoals ook in dit geval. De voorvleugels van dit “uiltje” zijn oranjebruin met opvallende witte en goudkleurige vlekjes. Daar heeft de soort z’n naam aan te danken. Het is een redelijk algemene soort in ons land. Ze zijn te zien van begin mei tot half oktober en vliegen in twee generaties. Vanaf de schemering, maar ook overdag, worden bloemen bezocht van onder andere spoorbloem, vlinderstruik en watermunt. Het lijkt erop dat de soort de afgelopen jaren is toegenomen, maar dat kan een vertekend beeld zijn, omdat steeds meer mensen gebruik maken van lichtvallen om nachtvlinders op te sporen.
|
De overstap naar de dagvlinders is gauw gemaakt, te beginnen met de Kleine IJsvogelvlinder (Limenitis camilla). Deze soort was zeldzaam in ons land, maar is zich langzaam aan het herstellen. Van oudsher is Twente één van de bolwerken van deze uitgesproken bosvlinder, die zich het beste thuis voelt in gevarieerde bossen met zowel donkere, vochtige, beschaduwde als zonnige delen. Vaak tref je ze aan op bloeiende braamstruiken, terwijl de rupsen zijn aangewezen op kamperfoelie. De zwartbruin gekleurde kleine ijsvogelvlinder is goed herkenbaar aan de brede witte band op de bovenkant van de vleugels. Omdat ze veel vliegen in een doornige omgeving, is het lastig een puntgaaf exemplaar op de gevoelige plaat vastgelegd te krijgen. Dat is bij dit exemplaar aardig gelukt, toch
|
|
Wereldwijd komen er ruim 5200 soorten blauwtjes voor. Dat is ongeveer één derde van alle dagvlinders. Uit Europa zijn zo'n 120 soorten bekend. In Nederland zijn er tot dusverre 27 soorten vastgesteld. Vijftien soorten hiervan komen als standvlinder in ons land voor, het merendeel is evenwel zeldzaam tot zeer zeldzaam of komt hier als dwaalgast naartoe. De meest bekende blauwtjes in Nederland zijn echter het in veel tuinen voorkomende boomblauwtje en het felblauwe, hier afgebeelde Icarusblauwtje (Polyommatus icarus). Bij het op naam brengen van de blauwtjes, moet je letten op: o.a. wel of geen wortelvlek; blauwe bestuiving en wel of geen oranje vlekjes. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Toch komen we er doorgaans wel uit. Het icarusblauwtje is een mobiele vlinder. Hij gebruikt graslanden en wegbermen als verbindingszones.
|
|
Tot onze standvlinders behoort ook het Heideblauwtje (Plebejus argus), die je – zoals de naam al doet vermoeden - vooral moet zoeken in gebieden met vochtige heide. Het is een laagvliegende soort, die verward kan worden met het icarusblauwtje, maar een stuk minder algemeen is dan de vorige soort. Bij het icarusblauwtje is bij gesloten vleugels een driehoekige witte wig zichtbaar, welke bij het heideblauwtje (als op de foto) ontbreekt. Ze zijn ook duidelijk kleiner. Het heideblauwtje is tamelijk schaars geworden in ons land. Ze komen alleen nog maar lokaal voor op de hogere zandgronden in Noordoost-, Midden- en Zuid-Nederland, zoals in dit geval de Lemselermaten in Weerselo. Ook op enkele Waddeneilanden kun je ze nog aantreffen. De vlinders voeden zich vooral met nectar van gewone dop- en struikhei. De mannetjes verschijnen ongeveer een week eerder dan de vrouwtjes
|
Nederland kent op dit moment 50 soorten sprinkhanen en krekels. Dit aantal neemt nog steeds toe. Twaalf van deze 50 soorten zijn nieuw voor ons land. Een zeer algemeen in ons land voorkomende sprinkhaan is de hier afgebeelde Krasser (Chorthippus parallelus). Het is een relatief kleine soort, waarvan de kleur zeer variabel kan zijn, zoals groen, rood, bruin, geel of zelfs paars. De meeste exemplaren, zoals dit exemplaar, zijn groen, met een brede bruine streep van boven op de kop tot over de voorvleugels. Samen met de zompsprinkhaan verschilt de krasser met andere sprinkhanen door de slechts weinig ingebogen halskielen, de korte vleugels en de donkere knie, die tegen de rest van de dij afsteekt. Het krassende liedje van deze soort is goed hoorbaar.
|
We kennen nog een woorden uit de natuur wat met mannetjes begint, namelijk: mannetjesorchis. Dat komt wel dicht bij de planten op bijgaande foto. Te zien zijn namelijk twee andere soorten orchissen, die als een twee-eenheid pal naast elkaar stonden in het bloemrijke natuurgebied Koolmansdijk bij Lievelde (Achterhoek). Links is de Welriekende Nachtorchis (Platanthera bifolia) afgebeeld en rechts ziet u de Gevlekte Orchis (Dactylorhiza maculata). De eerste soort valt meteen op door zijn witte gekleurde bloemen. Ze geuren vooral 's nachts maar ook wel enigszins overdag. De tweede is - net als de andere soort - te vinden op vochtige tot moerassige plekken. De kleur is variabel, van wit, tot roze of zelfs paars. Hiervan zijn verschillende ondersoorten beschreven
|
Natuurlijk wordt de florawereld deze maand evenmin vergeten. Bij de Cirkels van Jannink in Mander viel opeens dit leuke plantje op met zijn lichtblauwe bloemen die in een tros geplaatst zijn. Het betreft hier Mannetjesereprijs (Veronica officinalis), die je moet zoeken op wat armere droge grond en in laag blijvend grasland. De planten hebben kruipende stengels die op de knopen wortelen. Aan de uiteinden stijgen de stengels op, zoals op de foto te zien. In de oksels van de bladeren staan de trossen met bloemen. De stengels zijn behaard. Het is wat men zo mooi noemt, een lage kruiper met trossen. Mannetjesereprijs bloeit van mei tot augustus
|
|
Vroeger dacht men dat de hier afgebeelde Beenbreek (Narthecium ossifragum) botbreuken bij vee (met name schapen) veroorzaakte. Dit overigens volledig ten onrechte. Wel is het zo dat deze zeer sterk afgenomen plant groeit op de wat diepere plekken in veenachtige heidevelden met allerlei oneffenheden, dus een ongelukje is gauw gebeurd. De soort, die behoort tot de lelieachtigen, bloeit doorgaans van eind juni tot half juli. Hoewel ze tamelijk zeldzaam zijn, kunnen ze op plekken, waar hij voorkomt soms massaal aanwezig zijn. Ze groeien vaak samen met andere soorten, die in een zuur en vochtig milieu leven, zoals gewone dophei, kleine zonnedauw en veenpluis
|
Over breuken gesproken. Op 19 juni j.l. was het noodweer in ons land. De wolkbreuk, waarmee we die avond te maken kregen, ging gepaard met zwaar onweer, hagel en in zeer korte tijd enorm veel regen. Onder het flitsende weerlicht ontvouwde zich echter ook een indrukwekkend natuurverschijnsel. Een omvangrijke regenmuur daalde neer vanuit de donkere wolkenmassa’s, fel verlicht door de bliksemflitsen, die diep in de bui ontstonden. Er werden op die dag maar liefst 188.00 bliksemontladingen geregistreerd! Het leek alsof de hemel zich tijdelijk opende en het landschap transformeerde tot een betoverend decor van licht, water en contrast. Voor de fotograaf in kwestie was het een uitzonderlijk moment, waarop de kracht van het onweer niet alleen voelbaar was, maar zich ook in al zijn pracht toonde, zoals op de foto te zien. Bruiloftsgasten in Mander hebben van dit alles echter allerminst genoten. Zij moesten halsoverkop een veilig heenkomen zoeken toen in no-time een beek buiten z’n oevers trad.
|
De fotograaf in kwestie is in de loop der jaren bekend geraakt met de snelle groei van dergelijke slijmzwammetjes en besloot eerst nog een poosje te gaan vogelen om na 3½ uur terug te keren bij hetzelfde Netpluimpje (Stemonitis spec.) om te zien hoe de groei zich intussen had voltrokken. Het is nog net niet zo dat je dit natuurwondertje nog net niet van minuut tot minuut ziet groeien, maar hoe mooi is deze tweede opname! Het slijmzwammetje heeft nu lange “pootjes” en heeft intussen een mooie vorm en kleur aangenomen. Gewoon ook eens doen. Met deze twee fraaie opnames van deze minuscule organismen, sluiten we de junisessie onzes inziens in stijl af
|
Omdat we altijd streven naar het begrip “voor ieder wat wils”, sluiten we deze natuurkalendersessie af met 2 opnames van dezelfde soort, namelijk een Netpluimpje (Stemonitis spec.). Zo ziet de beginfase eruit van deze myxomyceet of zo u wilt dit slijmzwammetje. Het is een bundeltje melkachtig witte staafjes (sporenlichaampjes) op zwarte, haarfijne steeltjes. Het zou kunnen gaan om het Gebundeld Netpluimpje (Stemonitis fusca). Pas na microscopisch onderzoek zou dat met zekerheid kunnen worden gezegd. Er zijn namelijk andere soorten, zoals het Roodbruin Netpluimpje (Stemonitis axifera) en het Bruin Netpluimpje (Stemonitis virginiensis), die er in bepaalde stadia erg op lijken.
|
Samenstelling: Wim Wijering E-mail: [email protected] Tel. 06.46202123
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink en Johan Drop
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink en Johan Drop
Uiteraard hebben we in deze maand nog veel meer foto’s gemaakt, dan we in deze natuurkalender hebben weergegeven. Wij willen u deze opnames niet onthouden, omdat hier ook veel mooi materiaal bij zit. Oordeelt u echter zelf door hier te klikken. De foto’s kunt u vergroten, net als bij de natuurkalender, door er op te klikken.