natuurkalender juli 2026
De natuurkalendermaand juli is intussen de boeken ingegaan als zeer droog en bijzonder warm. Zonder klimaatverandering was het nu lang niet zo droog geweest. Er dreigt zelfs watertekort. Elders in Europa hebben deze extreme weersomstandigheden geleid tot enorme bosbranden, waarmee veel natuur is verwoest. Dat laatste bleef ons hier gelukkig bespaard.
Juli is niet bepaald een favoriete vogelmaand. De vogels laten zich in deze tijd nog nauwelijks horen, zijn bezig met de rui en onttrekken zich aan het zicht. Nochtans hebben we toch enkele opnames kunnen maken van wespendief (2 x), grauwe klauwier en steenloper.
De aandacht gaat deze maand vooral uit naar de kleurrijke wereld van vlinders. Maar liefst 20 vlindersoorten passeren de revue met de aantekening dat er ook aangeleverde vlinderfoto’s bij zijn uit Macedonië en Tanzania. Het betreft achtereenvolgens: keizersmantel, Macedonische heremiet, blauwe ijsvogelvlinder, Oostelijke vuurvlinder, klein christusdoornblauwtje, Balkanhooibeestje, kleine ijsvogelvlinder, bruin blauwtje, eikenpage, kleine vos, zilveren maan, kleine parelmoervlinder, goudbandboswachter, “parelhoen”vlinder, bruinaderwitje,”Forest mother of Pearl”, glasvleugelpijlstaart, kolibrievlinder, Spaanse vlag en zuringspanner.
De overige foto’s uit de insectenwereld waren goed voor: Kempense en zwervende heidelibel, juweelwesp, wantssluipvlieg, stadsreus en roodpootschildwants. Voorts hebben we nog waterlobelia en snoek “in de aanbieding”. Met die laatste beginnen we.
Juli is niet bepaald een favoriete vogelmaand. De vogels laten zich in deze tijd nog nauwelijks horen, zijn bezig met de rui en onttrekken zich aan het zicht. Nochtans hebben we toch enkele opnames kunnen maken van wespendief (2 x), grauwe klauwier en steenloper.
De aandacht gaat deze maand vooral uit naar de kleurrijke wereld van vlinders. Maar liefst 20 vlindersoorten passeren de revue met de aantekening dat er ook aangeleverde vlinderfoto’s bij zijn uit Macedonië en Tanzania. Het betreft achtereenvolgens: keizersmantel, Macedonische heremiet, blauwe ijsvogelvlinder, Oostelijke vuurvlinder, klein christusdoornblauwtje, Balkanhooibeestje, kleine ijsvogelvlinder, bruin blauwtje, eikenpage, kleine vos, zilveren maan, kleine parelmoervlinder, goudbandboswachter, “parelhoen”vlinder, bruinaderwitje,”Forest mother of Pearl”, glasvleugelpijlstaart, kolibrievlinder, Spaanse vlag en zuringspanner.
De overige foto’s uit de insectenwereld waren goed voor: Kempense en zwervende heidelibel, juweelwesp, wantssluipvlieg, stadsreus en roodpootschildwants. Voorts hebben we nog waterlobelia en snoek “in de aanbieding”. Met die laatste beginnen we.
|
De zojuist getoonde foto vormt letterlijk en figuurlijk een mooie overgang (zeg maar bruggetje) naar de kleurrijke wereld van de vlinders. De maand juli is daarvoor immers bij uitstek geschikt. Op vrijwel dezelfde plek werden twee fotografen uit onze gelederen door een andere fotografe geattendeerd op een vlinder, die ze qua naam niet meteen kon thuisbrengen. Op het display van haar camera zagen we de vlinder onder meer met gesloten vleugels. Het kon haast niet anders dan een Keizersmantel (Argynnis paphia) zijn, alleen klopte bij het zien van de overige foto’s, de kleur niet. Het beestje zag er effen bruin uit in plaats van de doorgaans oranjeachtige kleur. We herontdekten even later het beestje wat ijverig aan het snoepen was van de nectar van koninginnenkruid. Vanaf dezelfde brugleuning werden er ook door ons heel wat foto’s gemaakt van - wat naar later bleek – een bijzonder zeldzame bruine vorm van een vrouwtje Keizersmantel was. Wetenschappelijk staat deze beschreven als: (Argynnis paphia forma Valesina).
|
Een bruggetje over een watertje in het Hertenbosch in de omgeving van het Gelderse Baak bleek op enig moment een mooie fotografiestek te zijn. Voor de verandering eens aandacht voor (zoetwater)vissen. Vaak besteden we hieraan maar weinig aandacht. Niet zelden heeft dat te maken met vertroebeling en verkleuring in het water. De foto's worden dan al gauw fletser, onscherper en niet zelden groeniger. Dit mini Snoekje (Esox lucius) wat doodstil dicht aan het wateroppervlak lag te wachten op een voorbij zwemmende prooi kon de fotograaf in kwestie eenvoudigweg niet negeren. Kortom; de lens op de brugleuning en knippen maar. Weer eens wat anders!
|
|
Een stuk algemener in Macedonië is de Blauwe IJsvogelvlinder (Limenitis reducta), die tot de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders wordt gerekend. Zoals op de foto te zien, worden vlinders vaak aangetrokken door het zout en de mineralen van menselijk zweet. Dit zijn voedingsstoffen die ze niet uit nectar kunnen halen. Alhoewel de vleugels er bij geopende vleugels prachtig staalblauw uitzien, ziet de tekening op de vleugels bij een zijaanzichtfoto er minstens zo fraai uit. De foto is gemaakt in het Mavrovo National Park in Noord-Macedonië. De blauwe ijsvogelvlinder is wel eens als dwaalgast in Nederland aangetroffen
|
Met z’n allen wierpen we ons deze maand volop op de vlinderfotografie. Niet alleen in eigen land, maar ook ver daarbuiten werden voor deze natuurkalender prachtige foto’s gemaakt van kleurrijke vlinders. We beginnen eerst maar eens met een aantal foto’s van onze jongste fotograaf, die samen met een viertal andere jeugdige natuurfreaks onder meer Macedonië bezochten om hun verzameling vlinderfoto’s eens flink op te vijzelen. Bij terugkeer was hun soortenlijst intussen 90 soorten rijker! De topper van deze vlinderreis was overduidelijk deze extreem zeldzame Macedonische Heremiet (Pseudochazara cingovskii), die de Engelse naam Macedonian Grayling draagt. Droge rotshellingen zijn hun domein, hetgeen ook op de foto is te zien.
Over blauw gesproken. Tot de omvangrijke groep blauwtjes behoort het hier afgebeelde Klein Christusdoornblauwtje (Tarucus balkanicus). Zoals te zien, is de onderkant van de vleugels wit met zwarte strepen en stippen. Dat geldt voor beide sexen. De laatste vier stippen zien er zilverblauw uit. Normaliter valt meteen ook het staartje aan de achtervleugel op. Deze is vanwege de begroeiing evenwel niet zichtbaar. De soort bewoont droge steenachtige hellingen en soortgelijke voedselarme graslandgebieden. Er moeten wel veel kleine tot grote doornstruiken in het biotoop aanwezig zijn. Vooral de echte christusdoorn (Paliuris spina-christi) is daarbij logischerwijs favoriet. Dit blauwtje is te vinden in Albanië, Noord-Macedonië, Bulgarije, Griekenland en Cyprus
|
|
In hetzelfde gebied (omgeving Kratovo – Noord-Macedonië) kon eveneens de Oostelijke Vuurvlinder (Lycaena thersamon) op de gevoelige plaat worden vastgelegd. Het is een soort met een duidelijk herkenbaar patroon op de bovenzijde van de vleugels. De mannetjes zijn oranje met een subtiele blauwe glans, de vrouwtjes zijn oranje met een herkenbaar bruin vlekkenpatroon. In Turkije kan deze soort mooie staartjes ontwikkelen. Helaas is dat ook weer het eerste wat afslijt als de beestjes wat ouder worden. Het is een typische soort voor Oost-Europa. De soort kan daar worden aangetroffen op droge, bloemrijke graslanden. De waardplant is gewoon varkensgras
|
De laatste soort uit deze Macedoniëreeks is het Balkan Hooibeestje (Coenonympha rhodopensis). Het is een relatief klein vlindertje, wat behoort tot de aurelia’s en nog specifieker: tot de onderfamilie hooibeestjes. Hooibeestjes zijn overigens nauw verwant aan de zandoogjes. Naast de Balkanlanden komt de soort ook voor in Midden-Italië en Noord-Griekenland. Een goed kenmerk bij deze soort is de goed zichtbare witte vlek in cel 3 – 5. Ons land kende ooit vier soorten hooibeestjes. Naast het algemene Hooibeestje (C. pamphilus) komt alleen nog het Veenhooibeestje (C. tullia) in ons land voor, zij het slechts in zeer klein aantal. Het Zilverstreephooibeestje (C. hero) en het Tweekleurig Hooibeestje (C. arcania) zijn in ons land al decennialang uitgestorven.
|
|
In ons eigen land zijn deze maand uiteraard ook verschillende vlinders gefotografeerd, waartoe onder meer deze Kleine IJsvogelvlinder (Limenitis camilla), werd geportretteerd bij het Duivelshof in Losser. Altijd rond Vaderdag (halverwege juni) worden de eerste exemplaren gespot. Ze zijn het mooist als ze van opzij worden gefotografeerd. Dan vallen namelijk de witte middenbanden en de dubbele rij donkere vlekjes het beste op. Het is goed te vermelden dat deze mooie dagvlindersoort op de weg terug lijkt te zijn, nadat er in de jaren negentig een enorme achteruitgang werd geconstateerd. Overijssel (met name Twente), Noord-Brabant en Limburg zijn bij uitstek de provincies waar deze soort zich het beste thuis voelt.
|
Ook komt deze keer dit vrij schaarse Bruin Blauwtje (Aricia agestis) aan bod. Het is een standvlinder die voorkomt in de duinen en in bermen en opspuitterreinen in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland. Ook langs de grote rivieren is het bruin blauwtje op veel plaatsen nog te zien. Recent heeft deze vlinder zich wat meer uitgebreid in ons land. De vlinder heeft qua status nog altijd “gevoelig” achter z’n naam staan op de Rode Lijst. In de drie noordelijke provincies komt dit blauwtje nauwelijks voor. Het is voor zover bekend een vrij honkvaste soort, die veel gelijkenis vertoont met het vrouwtje van het veel algemenere Icarusblauwtje (Polyommatus icarus). Bij het bruin blauwtje is evenwel nooit of slechts heel weinig blauwe bestuiving te zien. Bovendien zijn de oranje vlekken aan de randen van de vleugels duidelijker en groter
|
|
Tot de familie Lycaenidae (blauwtjes) in ons land worden ook een 6-tal kleine pages gerekend, waartoe de afgebeelde Eikenpage (Neozephyrus quercus). Deze kleine pages zijn te herkennen aan de “staartjes” aan de achtervleugels. Eikenpages zijn moeilijk vindbaar, omdat ze zich veelal in de toppen van eiken ophouden. Bovendien zijn ze allesbehalve algemeen. Boven in het geboomte voeden ze zich vooral met honingdauw van blad- en schildluizen. De meeste kans om ze te vinden heb je wat later in de middag of in de vooravond, maar dan wel bij warm en droog weer. De vlinders dalen dan af naar bloeiende planten of bomen; zoals in dit geval vuilboom, ook wel sporkehout genoemd. Ze zoeken hierin de voor ons onzichtbare bloempjes op, die rijk zijn aan nectar. Zoals de naam al doet vermoeden is de eik de “waardplant” van deze pagesoort, waarvan er 8 exemplaren werden geteld. Locatie: Wiekermeden in Rossum.
|
|
In de kop van Overijssel (de Wieden) kon ook weer eens een Zilveren Maan (Bolaria selene) worden geportretteerd. Deze tamelijk zeldzame vlindersoort is zo’n beetje de hele dag actief en voedt zich met nectar van onder andere echte koekoeksbloem en kale jonker. We hebben bij dit exemplaar te maken met een vlinder van de 2e generatie, die te zien is van begin juli tot half september. De zilveren maan kwam vroeg in de 20e eeuw nog algemeen voor in vochtige, moerasachtige gebieden, daar waar de waardplant van de rups, het moeras, duin- of hondsviooltje, groeit. Naast de Weerribben en de Wieden is de soort ook nog te vinden in Friesland en Terschelling.
|
Daar waar de atalanta - en niet in de laatste plaats de dagpauwoog - het in ons land erg goed doen, begint de Kleine Vos (Aglais urticae) sterk in aantal af te nemen. De oorzaak hiervan is nog steeds niet helemaal duidelijk. Feit is dat de soort niet goed tegen extreem hete en droge zomers kan. Hopelijk komt d ‘ie daardoor niet in de gevarenzone terecht, net als bijvoorbeeld de argusvlinder. De sterkste achteruitgang vindt plaats op de hogere zandgronden; zeker ook bij ons in Twente. Belangrijk is dat de soort baat heeft bij een groot aanbod aan nectarrijke bloemen in tuinen, parken en bermen. Dat geldt zowel voor het voorjaar als voor de zomer- en nazomermaanden. Afgebeeld is een kersvers exemplaar, die in het Lauwersmeergebied werd gefotografeerd.
|
|
Eén van onze natuurfotografen verblijft momenteel in Tanzania. Daar komen uiteraard ook vlinders voor, waar hij ons graag kennis mee wil laten maken. Hier zien we bijvoorbeeld de Goudbandboswachter (Euphaedra neophron), een vlindersoort uit de familie van de zandoogjes en de erebia’s. De vlinder staat bekend om zijn opvallende paarsblauwe vleugels met gele en bruine randen. Je kunt deze soort vinden in de tropische bossen van oostelijk en zuidelijk Afrika. Volwassen exemplaren voeden zich voornamelijk met rottend fruit en boomsappen. Het is één van de meest opvallende vlinders in Afrika. Het is een uitdaging om ze te fotograferen, want ze blijven zelden lang genoeg stilzitten voor een goede foto.
|
Veel dichter bij huis, namelijk in de eigen tuin, werd voor het eerst op een vlinderstruik een Kleine Parelmoervlinder (Issoria lathonia) gesignaleerd. Net als de zilveren maan, behoort ook deze soort - zoals de naam al duidelijk maakt - tot de zogeheten parelmoervlinders. Ze zijn te herkennen aan de vaak talrijke parelmoerachtige of anders gekleurde vlekken aan de onderzijde van de vleugels. Als je goed kijkt, is dat ook bij dit exemplaar te zien. De vlinders zonnen veel op open plaatsen op de grond of op een muur, maar vliegen snel weg als ze te dicht benaderd worden. De hoogste aantallen worden in de zomer gezien
Als we de Engelse benaming (Guineafowl butterfly) van deze vlinder in Tanzania zouden vertalen, dan zou deze Parelhoenvlinder (Hamanumida daedalus) moeten heten. De soort wordt gekenmerkt door bruine vleugels met witte stippen die een patroon vormen wat lijkt op het verenkleed van een parelhoen. De onderzijde van de vleugels heeft een oranjegele grondkleur. In het natte seizoen zijn bij deze soort duidelijke witte stippen te zien. De mannetjes hebben een spanwijdte van 55 tot 65 millimeter, de vrouwtjes van pakweg 60 tot 78 mm. De soort komt voor in het Afrotropisch gebied en heeft laagland als habitat. De vlinder vliegt het gehele jaar door.
|
|
Ook hier hebben we te maken met een vlindersoort met een Engelse benaming, namelijk een witje, die door het leven gaat als Brown-veined white of Pioneer white (Belenois aurota). Ergens kwamen we trouwens een mogelijke Nederlandse naam tegen, namelijk het “Bruinaderwitje”. Deze vlinders hebben witte vleugels met een zeer opvallend patroon van donkerbruine tot zwarte aders en randen. De soort staat erom bekend dat ze enorme groepen kunnen vormen. Ze strijken vaak samen neer op vochtige grond of modder; een fenomeen dat 'mud-puddling' wordt genoemd. Samen nemen ze op dergelijke plekken mineralen en zouten op. Het is een bekende trekvlinder die in immense zwermen over grote afstanden kan reizen, voornamelijk in delen van Afrika en Zuid-Azië
|
Vanuit Tanzania werd ook deze vlindersoort ingezonden, bekend onder de Engelse naam "Forest Mother-of-Pearl" (Protogoniomorpha parhassus. De vlinder staat bekend om zijn grote spanwijdte, die kan variëren van 7,5 tot wel 10 centimeter. Het is één van de grootste en meest opvallende vlinders van zuidelijk Afrika. De soort komt veelvuldig voor in bossen en dicht struikgewas. Mannetjes nemen plaats op de bovenste bladeren van grote planten en bomen, waarbij ze hun vleugels in een hoek van 90 graden houden, zoals te zien op de foto. Af en toe vliegt er een mannetje op om te patrouilleren in zijn territorium. Dat lokt meestal andere exemplaren uit hun schuilplaatsen, waarna een sierlijke dans volgt waarbij de iriserende bovenzijde van de vleugels groen, goud en violet oplichten in de zon. Een dergelijke vlinderdans levert een fantastisch schouwspel op.
|
|
Naast alle beschreven dagvlindersoorten hebben we deze maand ook nog een drietal dagactieve nachtvlinders weten vast te leggen. Daartoe onder meer deze Glasvleugelpijlstaart (Hemaris fuciformis). Het is een vrij zeldzame pijlstaartsoort, die qua gedrag en ook qua uiterlijk veel lijkt op de veel bekendere en meer algemenere Kolibrievlinder. Met z’n roodomrande doorschijnende vleugels en gedrongen behaarde lichaam heeft de glasvleugelpijlstaart ook wel wat weg van een hommel. Ze foerageren met hun lange roltong al vliegend op buisvormige bloemen, zoals in dit geval een vlinderstruik. De vlinders vliegen overdag bij zonnig weer, met name in de late ochtend en de vroege middag. In ons land komen 18 pijlstaartsoorten voor; in de hele wereld zelfs 1460. Ook deze opname is gemaakt in de eigen tuin.
Eveneens vrij zeldzaam in ons land is de zogeheten Spaanse Vlag (Euplagia quadripunctaria), die tot de zogeheten spinneruilen behoort. Deze wederom dagactieve nachtvlindersoort komt met name voor in Zuid-Limburg. In de onderhavige situatie was dat trouwens in de Groote Peel. Het beestje viel tijdens de vlucht meteen op vanwege de fel oranjerode ondervleugels. De vlinder kon even later worden gefotografeerd op koninginnenkruid. De laatste decennia lijkt deze grote, maar vooral prachtige nachtvlinder zich door klimaatverandering steeds verder noordwaarts uit te breiden. Distels, vlinderstruiken en koninginnenkruid worden met graagte bezocht.
|
Ter vergelijking mag de hiervoor genoemde Kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) natuurlijk niet in deze natuurkalender ontbreken. Mede vanwege de mooie en warme zomer werd deze soort de afgelopen maand in veel tuinen gespot; in dit geval in Fleringen. Ze komen vooral af op Buddlea, beter bekend als vlinderstruik. Het lijkt erop dat het wederom een topjaar gaat worden voor deze soort, die ook beschreven staat als meekrappijlstaart en onrustvlinder. Pakweg 25 jaar geleden was het nog een vrij zeldzamere trekvlinder in ons land. Hoe anders is dat in 2026. De naam is overigens voortreffelijk gekozen, want hij lijkt inderdaad sprekend op een kolibrie, zowel qua uiterlijk als qua gedrag. Let ook eens op de verschillen met de vorige soort.
|
In het Beuningerbinnenveld, niet ver van het Lutterzand, ontsnapte ook deze dagactieve Zuringspanner (Lythria cruentaria) niet aan de aandacht van de fotograaf. Het eerste wat bij deze soort opvalt, zijn de gebandeerde roze strepen op de okergele vleugels. Goed te zien zijn ook de geveerde antennes, waardoor meteen kan worden uitgesloten dat deze soort tot de dagvlinders behoort. Alle dagvlinders hebben namelijk antennes met aan het uiteinde een knopje. Deze nachtvlinder leeft in twee tot drie generaties per jaar en wel van april tot en met september. De rups gedijt op veld- en schapenzuring. De zuringspanner kan verward worden met de Geel purperen spanner (Idaea muricata).
|
Na al dit vlindergeweld is het tijd voor een tweetal soorten heidelibellen, te beginnen met deze Kempense heidelibel (Sympetrum depressiusculum). De soort behoort tot de zogeheten korenbouten. Het is de heidelibel met de kleinste verspreiding in Nederland. Vooral het Woldlakebos in de Weerribben is een hotspot voor deze warmte minnende soort. De populatie is de laatste jaren van hieruit sterk gegroeid. Deze populatie heeft ervoor gezorgd dat andere gebieden in de omgeving ook konden worden gekoloniseerd. Je kunt ze tegenkomen van half juli tot begin oktober, maar vooral in augustus. Ze houden zich het liefst op bij stilstaande of langzaam stromende, niet te voedselrijke wateren met grote, ondiepe, snel opwarmende moerasgedeeltes. Kempense heidelibellen zijn vooral ’s ochtends actief. Net als bij de bloedrode heidelibel zijn de poten geheel zwart.
|
|
Steeds vaker worden er in ons land Zwervende Heidelibellen (Sympetrum fonscolombii) waargenomen. Het is een zuidelijke soort, die in Zuid-Europa het hele jaar door kan worden waargenomen. Intussen hebben ze ook heel Nederland veroverd. Met name in de zomermaanden juni tot en met augustus heb je de meeste kans om ze tegen te komen. Dit fraaie mannetje werd op de kiek gezet in de Bergvennen bij Lattrop. Vroeger kwamen op deze locatie veel Zwarte- en Geelvlekheidelibellen voor. Die tijd lijkt evenwel definitief voorbij. Op de foto ziet u een mannetje van de zwervende heidelibel. Goed te zien is dat de ogen aan de onderzijde blauwgrijs van kleur zijn en de bovenzijde bruinrood. Dat zijn bij deze soort belangrijke determinatiekenmerken. Verder zijn de poten aan de voorkant zwart en aan de achterkant geel.
|
|
In het recente verleden werd er doorgaans niet al te veel gelet op de insectenwereld, eigenlijk ten onrechte, omdat dit wereldje beslist ook fascinerend kan zijn. Neem nou deze “reusachtige” zweefvlieg van ruim 2 cm, die de prachtige naam Stadsreus (Volucella zonaria) toebedeeld heeft gekregen. Tot enkele jaren geleden was deze opvallende zweefvlieg zeldzaam in ons land. Ook deze grote zweefvlieg heeft geprofiteerd van de temperatuurstijging van de afgelopen decennia. Ze worden tegenwoordig op veel plekken in ons land waargenomen. Het is een opvallende, geel, roestrood en zwart gekleurde beestje, die leeft van nectar en stuifmeel. Qua uiterlijk hebben ze veel weg van een hoornaar. Het vrouwtje staat te boek als broedparasiet, omdat ze haar eieren in wespennesten legt. Zij durft! Kennelijk draagt ze een geurtje bij zich waardoor wespen haar tolereren in hun domein
|
|
Aanzienlijk kleiner is dit juweeltje, die – hoe kan het ook anders – de naam Juweelwesp (Hedychrum nobile -niemela) heeft meegekregen. Minder mooiklinkend wordt hij ook wel zandgoudwesp genoemd. Dit fraaie beestje werd op dezelfde dag en op dezelfde locatie als de vorige soort gefotografeerd. Goudwespen vallen met name op door hun opvallende metallic getinte kleuren. Het zijn misschien wel de mooiste insecten, die in ons land voorkomen. Veel soorten lijken zodanig veel op elkaar dat ze niet of nauwelijks op naam kunnen worden gebracht. Dat is deels ook bij dit exemplaar het geval. Afhankelijk hoe en of de zon erop schijnt, kleurt dit wespje meer naar groen dan wel naar blauw of omgekeerd. Meestal parasiteert de juweelwesp op de larven van de grote knoopwesp, ook wel gewone snuittordoder genoemd. Ze zijn weliswaar niet zeldzaam, maar vindt ze maar eens.
|
|
Nog zo’n bijzondere soort is dit paartje Wantssluipvliegen (Phasia hemiptera), die zich overduidelijk niet bezighouden met geboortebeperking. Ze hebben dan ook meer oog voor elkaar dan voor de fotograaf. Alhoewel dat op de foto niet goed te zien is, verschilt de structuur en kleur van de vleugels van de mannetjes en vrouwtjes. Dit wordt seksuele dimorfie genoemd. Ook niet goed is te zien dat het imposante mannetje te herkennen is aan zijn brede vleugels met iriserende blauwzwarte vlekken. De vleugels van de vrouwtjes zijn daarentegen geheel transparant. Verder is het achterlijf bij beide geslachten sterk afgeplat en oranje behaard. De beestjes hebben verder een donkere rugstreep. In tegenstelling tot de meeste sluipvliegsoorten parasiteren hun larven niet op insectenlarven zoals rupsen, maar op volwassen insecten
|
|
In de Bergvennen bij Lattrop kon deze fraaie bloeivormopname worden gemaakt van Waterlobelia (Lobelia dortmanna) In ons land komt dit waterplantje uit de klokjesfamilie alleen nog in heidestreken voor en is inmiddels zeer zeldzaam geworden. Gewoonlijk groeien er op dit soort plekken vele bij elkaar. Ze zijn onbehaard en groen en hebben een korte wortelstok. Het waterpeil waarin ze groeien moet tamelijk ondiep zijn, in ieder geval niet dieper dan 30 cm. Bloeien doen ze vooral in juli en augustus. Waterlobelia is meestal een ondergedoken waterplant, waarvan de bloemen net boven het water uitsteken. De in de lucht rijpende vruchten laten de zaden los, die op de oppervlakte van het water uitgestrooid worden. De Bergvennen is een bekende hotspot voor deze soort.
|
Alleen al in ons land komen 675 soorten wantsen voor. Met enige regelmaat worden er zelfs nieuwe soorten ontdekt. De tamelijk grote wants op de foto is de Roodpootschildwants (Pentatoma rufipes). In het recente verleden werd deze ook wel aangeduid als boswants. De soort is gemakkelijk te herkennen aan zijn indrukwekkende schouderpartij, bronsachtige kleur, bruingele schildpunt en roodachtige poten. Het is een wantsensoort die zich het liefst hoog in bomen en struiken ophoudt. De wants staat in de Benelux als een gewone soort te boek. Kou deert hem niet, zelfs midden in de winter kan hij behoorlijk actief zijn. Ze voeden zich vooral met plantensappen, maar vallen soms ook andere insecten aan.
|
|
Eén van onze fotografen woont niet ver van de Berkel. Door het zijraam van de kamer zag hij op de 21e een roofvogel naar een van de palen aan de overkant vliegen. Aan het vliegbeeld en de houding meende hij van afstand een Wespendief (Pernis apivorus) te herkennen. Een blik door de verrekijker bevestigde de waarneming. Tja en nu nog het lastigste. Hoe krijgen we die zonder verstoring op de gevoelige plaat? De vogel was voor de verrekijker verhoudingsgewijs best dichtbij, maar voor de camera toch nog te ver af. Met de nodige ervaring werd een onopvallende looproute richting water ondernomen. Tot achter een forse boomstam lukte dat probleemloos. De vogel bleef rustig zitten. Voorzichtig werd de lens in stelling gebracht. En dan gebeurt altijd iets onverwachts. Een zwarte kraai had z’n opponent intussen ook ontdekt en viel vanuit het niets de roofvogel aan, die helaas meteen opvloog. Gelukkig konden er nog snel enkele vliegbeelden worden gemaakt. Eindresultaat: toch nog een hele mooie, loepzuivere foto van een mannetje wespendief in de vlucht
|
|
Het toeval wil dat acht dagen later op een heel andere locatie door dezelfde fotograaf nog een opname kon worden gemaakt van een Wespendief (Pernis apivorus). Deze keer betrof het een behoorlijk donker en dorstig vrouwtje, die behoedzaam op weg was naar een drinkplek. Dat krijg je van dat warme weer van de laatste tijd. Dit keer gelukkig geen zwarte kraai of ander beest, die roet in het eten kwam gooien. De vogel liet zich dan ook gewillig portretteren. Voor een leek heeft dit exemplaar op het eerste oog best veel weg van een buizerd. Het felle oog, het smalle koppie en de houding van de vogel zorgde evenwel al snel voor duidelijkheid. Qua kleurstelling kan er overigens nogal wat variatie zitten in het verenkleed. Hoe vaak maak je het als natuurfotograaf mee dat je zo’n mysterieuze, schuwe en tamelijk zeldzame vogel, niet één keer, maar zelfs twee keer binnen zeer korte tijd voor de lens te krijgen!
|
|
Binnen onze Vereniging staat vrijwel jaarlijks een vogelexcursie naar het onvolprezen Lauwersmeergebied op het programma. Dat was deze jaargang evenwel niet het geval. Menige vogelliefhebber vindt dat jammer, reden waarom er op 28 juli op eigen initiatief door enkele verenigingsleden een bezoek werd gebracht aan dit gebied. Dat leverde in het struweel langs de strandweg nabij het Robbengat dit mannetje Grauwe Klauwier (Lanius collurio) in een duindoorn op. Kennelijk was het beestje op doortrek, want we zien ze in dat gebied vrijwel nooit. Beetje bij beetje gaat het in ons land weer de goede kant op met deze soort. Rond de eeuwwisseling waren er nog maar amper 100 broedparen over. In het verleden waren dat er duizenden! Dankzij tal van maatregelen krabbelt de soort er gelukkig weer bovenop. Ons land telt inmiddels weer 1800 – 1900 broedparen.
|
|
We sluiten de kalendermaand juli 2026 af met deze twee Steenlopers (Arenaria interpres) in zomerkleed. De haven van Lauwersoog is eind juli een zekerheid voor het spotten van deze soort. Het is een steltloper die vaak van dichtbij te observeren valt op kades, dijken en steigers. In de vroege zomer dragen ze nog hun kenmerkende, prachtige zomerkleed met diepe, warme kastanjebruine en zwarte patronen op de rug. Ze scharrelen vaak onverstoord tussen de stenen en basaltblokken op zoek naar voedsel. Een dergelijke omgeving is favoriet bij deze vrijwel kosmopolitische soort. De Engelsen hebben hem de treffende naam Turnstone gegeven. De soort is namelijk heel bedreven in het omkeren van stenen en zeewier als ze aan het foerageren zijn.
|
Samenstelling: Wim Wijering E-mail: [email protected] Tel. 06.46202123
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Jaimey Wilbers, Gerard Benerink, Rob Zonder en Johan Drop.
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Jaimey Wilbers, Gerard Benerink, Rob Zonder en Johan Drop.
We hebben deze maand nog heel veel meer natuurfoto’s gemaakt, vooral van vlinders. Die staan in een andere fotorubriek; evenwel zonder toelichting. Klik op “Hier” of surf eenvoudigweg naar de rubriek “Recente Foto’s” om nog veel meer mooie foto’s te bekijken.