natuurkalender januari 2026
Na een reeks zachte winters liet het weer vanaf de jaarwisseling een ander gezicht zien. Nederland kreeg te maken met een plotselinge koudegolf en kleurde op meerdere dagen wit. Dat was ook in onze omgeving het geval. Het leverde soms mooiee beelden en soms ijspret op, maar ook de nodige uitdagingen voor de natuur. Zelfs de Nationale tuinvogeltelling eind januari was deze keer deels te volgen in een witte wereld.
Verrassend mooi was ook het Noorderlicht of de Aurora Borealis wat in de vooravond en de nacht van 19 op 20 januari overal in Nederland te zien was. Doorgaans moeten we daarvoor in Scandinavië zijn. Natuurlijk zijn er door ons opnames gemaakt van dit natuurfenomeen.
Qua vogels komt u deze keer aan uw trekken met achtereenvolgens: middelste bonte- en groene specht, boomkruiper, glanskop, gaai, waterhoen, sperwer, blauwe kiekendief, rietgors, stormmeeuw, patrijs, grauwe gans en grote zilverreiger. Voorts hebben we twee zoogdieren, te weten: haas en egel.
Het schimmelrijk was verder goed voor: gele trilzwam, het zwart draadwatje en een onbekend slijmzwammetje. Verder hebben we een vijftal vrij zeldzame tot zeer zeldzame korstmossen weten te scoren, te weten: struikschotelkorst- bosschotelkorst, grauw oogje, beukenknikker en groene veenkorst. Op de laatste 2 opnames laten we u kennismaken met het Noorderlicht.
We beginnen deze keer met een 13-tal opnames van vogels. Alle opnames kunt u vergroot bekijken door er simpelweg op te klikken. Als steeds wensen wij u veel kijk-, maar ook veel leesplezier toe.
Verrassend mooi was ook het Noorderlicht of de Aurora Borealis wat in de vooravond en de nacht van 19 op 20 januari overal in Nederland te zien was. Doorgaans moeten we daarvoor in Scandinavië zijn. Natuurlijk zijn er door ons opnames gemaakt van dit natuurfenomeen.
Qua vogels komt u deze keer aan uw trekken met achtereenvolgens: middelste bonte- en groene specht, boomkruiper, glanskop, gaai, waterhoen, sperwer, blauwe kiekendief, rietgors, stormmeeuw, patrijs, grauwe gans en grote zilverreiger. Voorts hebben we twee zoogdieren, te weten: haas en egel.
Het schimmelrijk was verder goed voor: gele trilzwam, het zwart draadwatje en een onbekend slijmzwammetje. Verder hebben we een vijftal vrij zeldzame tot zeer zeldzame korstmossen weten te scoren, te weten: struikschotelkorst- bosschotelkorst, grauw oogje, beukenknikker en groene veenkorst. Op de laatste 2 opnames laten we u kennismaken met het Noorderlicht.
We beginnen deze keer met een 13-tal opnames van vogels. Alle opnames kunt u vergroot bekijken door er simpelweg op te klikken. Als steeds wensen wij u veel kijk-, maar ook veel leesplezier toe.
|
Net als in de laatste maand van 2025 beginnen we ook deze maand met een opname van de Middelste Bonte Specht (Dendrocoptes medius). Deze behoorlijk schuwe spechtensoort liet zich de afgelopen maand herhaaldelijk zien, waardoor er een behoorlijke inhaalslag kon worden gemaakt voor de spechtenfotorubriek. Deze middelste van de 3 bonte spechten in ons land is met een flinke opmars bezig. Vanuit het oosten en zuiden is de oostgrens van Nederland al volledig bevolkt met jaarlijks toenemende aantallen. De eerste exemplaren zijn zelfs al op de Waddeneilanden gezien. Nog maar amper 30 jaar geleden was het een echte zeldzaamheid in ons land. Op bijgaande foto is te zien waaraan de soort vrijwel direct te herkennen is; namelijk het rode petje, de gestreepte flanken en de rozige onderbuik
|
|
Ook in de laatste maand van 2025 hebben we u een Boomkruiper (Certhia brachydactyla) voorgeschoteld, nu dus eentje in de sneeuw. Normaliter is ook deze soort niet alleen schuw, maar ook lastig op de gevoelige plaat vast te leggen. Deze maand konden van deze dreumes (amper 8 gram) meerdere foto’s worden gemaakt en dat ook nog met een wit sneeuwdek. Het beestje was kennelijk op zoek naar wat voerrestjes in de sneeuw. Als geen ander is dit hoofdzakelijk bruine vogeltje gespecialiseerd in het opsporen en verorberen van het insectenleven dat in bomen schuilgaat. Vooral bomen met een ruwe bast zijn bij dit klimmertje geliefd. We staan er wellicht nooit bij stil, maar de diversiteit aan leven in een volgroeide wilg of eik kan soms fenomenaal zijn. Er huizen soms wel meer dan driehonderd soorten insecten en spinnetjes in een dergelijke boom, van minuscule luizen tot grote kevers. De boomkruiper vaart daar - met al dat lekkers - wel bij.
|
|
Net als de kool- en de pimpelmees laat ook de Glanskop (Poecile palustris) zich in de regel in de sneeuwperiode gewillig fotograferen, zeker als er gevoerd wordt. Dat gaat je niet lukken bij zijn neefje de matkop (Poecile montanus), die je sowieso niet in de tuin zult aantreffen. Die soort moet je vooral zoeken in jonge, vochtige loofbossen. Het gaat overigens niet goed met de matkop. De afgelopen 25 jaar is deze soort met maar liefst 50 % in aantal achteruitgegaan. Glans- en matkoppen zou je als het ware kunnen indelen in de categorie tweelingsoorten. Dat zijn soorten, die uiterlijk heel erg veel op elkaar lijken, maar gewoon, zonder te paren, naast elkaar kunnen bestaan.
|
|
Op dezelfde locatie kon tijdens de sneeuwperiode ook deze kleurrijke Gaai (Garrulus glandarius) worden vereeuwigd. Zoals je ziet zijn ze roze-bruin van kleur en boven op de kop witachtig met donkere streepjes. Vooral z’n zwart en witte vleugels met die mooie blauwe schouderveren vallen op. Al in het najaar leggen ze voedselvoorraden aan door eikels te verzamelen en te verstoppen. Als de winter aanbreekt komen ze dan ook eigenlijk niets tekort. Wel zijn ze in die tijd extra luidruchtig. De gaai is een echte standvogel. Vanuit het oosten of noorden krijgen we daarnaast echter ook gaaien op bezoek, die hier blijven tot de lente. Tijdens voedselarme jaren elders krijgen we hier soms zelfs te maken met invasies. Mocht je je wel eens afgevraagd hebben hoe die kleine eikenboompjes in de tuin verzeild zijn geraakt, denk dan eens aan deze “eikenplanter” bij uitstek.
|
|
De hoenderachtige in de sneeuw die je hier ziet is geen sneeuwhoen, maar een alom bekende Waterhoen (Gallinula chloropus). Ook dit is een echte standvogel, alhoewel ze bij strenge vorst wel altijd op zoek gaan naar open water. Een heel enkele keer wijken er ook wel exemplaren uit naar Engeland of Noordwest-Frankijk. Daarnaast krijgen we als wintergast ook Duitse en Deense vogels op bezoek. Misschien is dit ook wel een buitenlander. Dit exemplaar hield zich namelijk met nog een zestal andere soortgenoten op langs de oever van het Kanaal Almelo Nordhorn. Ze deden zich vooral tegoed aan de grassprieten, die boven het sneeuwdek uitstaken. Goed zijn de grote poten te zien, waarvan de lange tenen helpen het gewicht van hun relatief grote lichaam te verdelen wanneer ze over waterplanten lopen. Ook de witte onderstaartdekveren springen in het oog omdat tijdens het lopen de staart wordt opgewipt.
|
|
Tijdens een zonnige dag halverwege de maand was het water in een poeltje nog vrij van ijsvorming. Dit Sperwervrouwtje (Accipiter nisus) nam hierin een bad; zij trouwens liever dan wij met dit koude weer. Het schoonmaalritueel bleef beperkt tot de onderste lichaamshelft, waarbij de kop evenwel niet werd vergeten. Toen madame klaar was met het maken van haar toilet, vloog ze naar een larikstak om op te drogen en de omgeving in zich op te nemen. Vandaar het enigszins verfomfaaide verenkleed. In de winter jagen sperwers op (kleinere) vogels, die niet zelden een bezoek brengen aan voederplekken. Als er een jagende roofvogel of roofvogel met prooi wordt waargenomen binnen de bebouwing, gaat het bijna altijd om een sperwer. Haviken mijden veelal de menselijke bewoning.
|
|
Een andere roofvogelsoort die we deze maand hebben weten te “kieken” (om maar een woordspeling te gebruiken), is de Blauwe kiekendief (Circus cyaneus). Net als fazanten zijn Blauwe kiekendieven polygaam. Dat wil zeggen dat het blauwgrijs gekleurde mannetje er meerdere vrouwtjes op na houdt. Heel lang geleden is er op Terschelling een mannetje gesignaleerd met maar liefst 7 vrouwtjes! Dat zullen we nu niet meer meemaken. Als broedvogel is deze fraaie roofvogelsoort namelijk bijna verdwenen uit ons land. In 2024 werden er niet meer dan 4 broedparen geteld! In de winterperiode kunnen we deze “roofpiet” gelukkig nog wel als wintergast uit Scandinavië verwelkomen. Jagen doen ze hier voornamelijk op veldmuizen. De afgebeelde vogel - een mannetje - kon worden vereeuwigd op de Ageler-es.
|
|
Langs de Berkel wandelend in het Gelderse viel het oog eindelijk weer eens op een Rietgors (Emberiza schoeniclus). Bij gorzen is het altijd opletten geblazen, want het kan maar zo zijn dat je plots een bijzondere soort voor de lens hebt. De kans daartoe is in de trektijd natuurlijk een stuk groter dan in januari, maar toch. Zelfs bij deze rietgors hoog in de boom was er even sprake van twijfel. Gelukkig bood de gemaakte opname op de computer al gauw uitkomst, maar ach ach die oh zo verschillende koptekeningen! Na enige aarzeling zijn we geneigd te zeggen dat het hier om een vrouwtje gaat, een 1e winter exemplaar. Het zou zomaar een Scandinavische wintergast kunnen zijn. Het overgrote deel van de Nederlandse broedpopulatie trekt in het najaar (eind september - half november) namelijk weg om in het voorjaar (eind februari - half april) weer terug te keren
|
|
Hoewel meeuwen meestal langs de kust te vinden zijn, leven veel meeuwen ook een deel van het jaar in het binnenland; zo ook de Stormmeeuw (Larus canus). Ze rusten en foerageren vaak in groepen, met name op al dan niet bemest grasland. Daar zijn ze op zoek naar voedsel. Door met hun poten te trappelen lokken de meeuwen wormen naar de oppervlakte. Zodra die tevoorschijn komen, trekt de stormmeeuw ze hapklaar uit de grond. Alhoewel deze meeuwensoort wel wat lijkt op een klein uitgevallen zilvermeeuw, ogen ze een stuk vriendelijker. Dat komt met name door hun donkere ogen en hun duifachtige kop. Het grootste deel van de Europese populatie broedt trouwens in Scandinavië, Finland, het Oostzeegebied, Rusland en Groot-Brittannië. Heel veel van die stormmeeuwen overwinteren in Nederland
|
Ook de Patrijs (Perdix perdix) is vooral op boerenland te vinden. Deze hoenderachtige was vijftig jaar geleden nog een regelmatige verschijning op onze akkers en graslanden. Sindsdien is het aantal afgenomen met maar liefst 95 procent! Dat is met name het gevolg van het gebruik van pesticiden en het steeds intensiever gebruik van het boerenland. In de loop der jaren is de patrijs zijn ruig begroeide nestplekjes daardoor kwijtgeraakt en daarmee ook veel noodzakelijk voedsel om te kunnen overleven. Wegbermen en slootkanten bieden weliswaar enigszins soelaas, maar maatregelen - voortkomend uit agrarisch natuurbeheer - moeten de teloorgang voorkomen. Daar zijn wij binnen onze Vereniging al jaren mee bezig met onder meer de aanleg van voedselakkers, het inzaaien van bloemstroken etc. Het idee achter dit alles is om betere leefomstandigheden te creëren voor de patrijs, maar ook te zorgen voor de terugkeer van biodiversiteit. Hoe mooi is het dat er deze maand een klucht van maar liefst 8 patrijzen op de gevoelige plaat kon worden vastgelegd.
|
Het is nauwelijks nog voor te stellen dat de Grauwe Gans (Anser anser) een halve eeuw geleden met een populatie van 100-150 paar nog een zeldzame broedvogel in Nederland was. Nu zie je ze praktisch overal. De aantallen zijn het hoogst in het najaar en in de winter, wanneer de omvangrijke eigen populatie wordt aangevuld uit Noord- en Oost-Europa. Tussen Weerselo en Rossum heeft zich met name in de buurt van de Rossummermeden, waar allerlei natuurbeschermingscontracten zijn afgesloten, sinds enige tijd ook een behoorlijke groep grauwe ganzen gesetteld. Ze verplaatsen zich voortdurend en tijdens één van deze luchtverplaatsingen kon deze opname met laat licht worden gemaakt. Best aardig toch!
|
Tijdens strenge en vooral sneeuwrijke winters hebben Groene Spechten (Picus viridis) het moeilijk. Hun voornaamste voedselbronnen (mieren) zijn dan lastig te vinden. Onder dergelijke koude en bodembedekkende omstandigheden is de sterfte onder deze spechtensoort aanzienlijk. Je zou verwachten dat ze hun heil dan wat zuidelijker gaan zoeken, maar dat doen ze eenvoudig weg niet. Ze zijn vrij honkvast, zoals trouwens alle spechtensoorten. Ten tijde van deze opname waren de omstandigheden redelijk tot goed voor dit foeragerende mannetje. Om mierennesten te bereiken graaft hij gaten tot soms wel een halve meter diep. De groene specht is in het spechtenwereldje een beetje een vreemde eend in de bijt. Roffelen doet hij nauwelijks en hij zit liever op de grond dan in bomen.
Wat we ook nooit hebben kunnen bevroeden is dat een soort als de Grote zilverreiger (Ardea alba) eigenlijk dezelfde lijn heeft gevolgd. Ook deze soort heeft zich pas een halve eeuw geleden in ons land gevestigd. Tot aan pakweg 1990 zag je in onze omgeving praktisch nooit grote zilverreigers. En toen opeens waren ze er en zagen we ze in de winterperiode steeds vaker. Al snel nam hun aantal toe en werden ook de broedpopulaties allengs groter. Broeden doen ze in onze omgeving dan (nog) wel niet, maar winterwaarnemingen zijn er volop. Het was mooi om de afgelopen maand op verschillende plekken “grote zilvers” in de sneeuw te zien. Ze vielen vanwege hun witte verenkleed nauwelijks op. Dit exemplaar had zich in de Loolee in Saasveld op 08 januari j.l. een mooi foerageerplekje uitgezocht.
|
|
Zolang de “hormoontjes” nog niet opspelen, leven Hazen (Lepus europaeus) in de winter tamelijk teruggetrokken en zijn ze minder zichtbaar. Ze houden er evenwel geen winterslaap op na. Overdag houden ze zich hoofdzakelijk schuil in een zogeheten hazenleger. Als het echt wintert schuilen ze in bos- en bosranden, op wallen, in ruigtes of onder heggen. Ze houden zich echter vooral op in open gras- en akkerland, vooral in kleinschalige landbouwgebieden met afwisseling in gewassen. Als voedsel eten ze vooral gras, kruiden en klaver. In de winter doen hazen zich evenwel ook tegoed aan knoppen, kleine takjes en boomschors. Ook granen, maïs of aardappels worden niet versmaad. Restoogsten zien we echter nog maar nauwelijks, terwijl ook ziektes er behoorlijk in hebben gehakt. De afgelopen 75 jaar is de hazenpopulatie met maar liefst 60 – 70 % afgenomen. Op de foto ziet u een foeragerende haas in een berijpt weiland.
|
|
De Egel (Erinaceus europaeus) is bij menigeen bekend vanwege zijn stekelige uiterlijk en de gewoonte om zich bij gevaar op te rollen. Het kan niet anders dan dat deze op 16 januari gefotografeerde egel te vroeg is ontwaakt uit z’n winterslaap. Dat komt helaas steeds vaker voor, waarbij de dieren niet door het wegverkeer, maar door voedselgebrek om het leven komen. Oorzaken van het te vroeg ontwaken uit de winterslaap zijn onder meer: a. ondergewicht; b. jonge egels die te laat geboren zijn; c. groenonderhoud met bladblazers en ander tuingereedschap; d. te koude of te natte winteronderkomens en e. niet in de laatste plaats klimaatverandering als gevolg van de opwarming van de aarde. Mochten egels te vroeg ontwaken dan zijn ze te helpen met harde kattenbrokjes en vers water en beslist geen melk
|
|
Paddenstoelen zijn niet van de herfst afhankelijk om te kunnen groeien. Je vindt ze ook in de zomer en in de lente. De winter is weliswaar geen toptijd voor soorten uit het schimmelrijk, maar toch zijn er dan wel een aantal soorten te vinden, zoals korstzwammen, boleten en trilzwammen. Deze paddenstoelen zijn goed bestand tegen de vorst. Dat wordt bewaarheid door deze Gele Trilzwam (Tremella mesenterica). Ze zijn het gehele jaar door te vinden op kwijnende takken van loofbomen en struiken. Vanwege zijn opvallende kleur en uiterlijk zijn ze doorgaans gemakkelijk op te sporen. Ze komen zeer algemeen in ons land voor. Vooral op de donkere dagen in het winterseizoen geeft deze trilzwam wat kleur in en aan het bos. De vruchtlichamen kunnen tot wel 10 cm groot worden. Ze bestaan uit geleiachtige lobben en lijken wel wat op gelatinepuddinkjes. Niet zelden zie je ook oranjekleurige exemplaren.
|
|
Het ziet er klein en eetbaar uit, maar wat zijn het? Het lijken wel kleine geelwitte boontjes, maar het zijn in werkelijkheid minuscule slijmzwammetjes of te wel myxomyceten. Slijmzwammen, het zit ook al in de naam, lijken op paddenstoelen, maar ze zijn van een heel andere orde. Het zijn eencellige organismen die in de grond leven en die af en toe, als de omstandigheden gunstig zijn en de levensfase om voortplanting vraagt. Pas dan worden ze voor ons zichtbaar. Hoe bijzonder is dat! In januari zitten we in de piek van de waarnemingen van slijmzwammetjes; dus zoek zelf ook eens op dood nat hout in het bos. Vergeefs is er nagevraagd naar de soortnaam van deze ” boontjes”. Zelf gaan onze gedachten qua vorm en kleur uit naar het Dikwandig Draadwatje (Trichia contorta).
|
|
Nog een myxomyceet, die zowel in naald- als gemengd bos kan worden aangetroffen, is het Zwart Draadwatje (Trichia botrytis). Dit slijmzwammetje komt vrij algemeen in ons land voor. De vruchtlichaampjes staan bij deze soort vrij of in groepjes, zoals in de onderhavige situatie. Je kunt ze aantreffen als geelachtig olijf (zoals op de foto), bruin of roodachtig bruin en zelfs paars. De kleur zwart is bij deze soort dan ook een vaag begrip. Zo te zien zijn deze minuscule “watjes met pompoms” op de weg terug. Het is en blijft een kunst om dit soort zwammetjes onder moeilijke lichtomstandigheden en oh zo klein te fotograferen. De fotograaf is evenwel een liefhebber van dergelijke mooie foto-objecten. Voor deze soort is normaliter microscopische controle nodig voor een zekere determinatie, maar de validatoren van Waarneming.Nl hebben de waarneming intussen aan de hand van de foto al goedgekeurd; zwart draadwatje dus.
|
|
Onze jongste fotograaf en bioloog in spé had op 27 januari zijn zinnen gezet om aan de kust een glimp op te vangen van een witte dolfijn; de zogeheten Beloega (Delphinapterus leucas) die de dagen hiervoor regelmatig was gezien langs de kust. De laatste keer dat deze 4 meter lange dolfijn in Nederlandse wateren was gespot, dateert uit 1966. Helaas kon deze prachtsoort niet worden bijgeschreven in diens lijstje van zeldzaamheden. Daarom werd koers gezet naar een oud beukenbos in Baarn, wat bekend staat om de zeldzame korstmossen, die er groeien. Afgebeeld is hier de zeer zeldzame Struikschotelkorst (Orcularia insperata) te zien, die slechts bekend is van enkele bekende vindplaatsen in Nederland, waarvan Baarn er één is. De haagbeukhaag op de bewuste locatie zat er vol mee. Het gaat voor alle duidelijkheid om de zwarte puntjes op de tak.
|
|
Ook de vrij zeldzame Bosschotelkorst (Lecanora argentata) werd in hetzelfde oude bos op beuk aangetroffen, terwijl deze korstmossoort vooral voorkomt op esdoorn, es en populier. Schotelkorsten zijn gemakkelijk te herkennen aan de zichtbare “schoteltjes”. Oude beukenlanen, zoals die in Baarn zijn wat dat betreft fantastische vindplaatsen voor onder andere schimmels, mossen en korstmossen. Voor zover u het nog niet wist zijn dit minuscule organismen, die voor natuurfotografen niet alleen een uitdaging vormen om ze te vinden, maar uiteraard ook om ze op de gevoelige plaat vast te leggen. De afgelopen jaren is er meer aandacht voor korstmossen. Dat heeft er bij deze soort toe geleid dat men deze soort inmiddels in 147 atlasblokken heeft ontdekt.
|
De 3e korstmossoort, die in het Baarnsche Bosch in Utrecht werd gevonden, was die van het zogeheten Grauw oogje (Micarea subviridescens). Het betrof een zeer klein exemplaar waarbij het een hele tijd geduurd heeft om ‘m te vinden, terwijl onze fotograaf nota bene wist op welke boom hij deze korstmos moest zoeken. Het is een soort, waarvan er aanvankelijk maar 8 locaties bekend waren in ons land. Inmiddels is dit opgelopen tot 52 atlasblokken. Nochtans is de status van deze soort nog steeds zeer zeldzaam. Ze zijn zowel op hout als op de grond te vinden. Het zijn de opvallend groene “propjes” waar je naar moet kijken op de foto.
|
|
De 4e kortsmossoort, die eveneens als zeer zeldzaam te boek staat, is de hier afgebeelde Beukenknikker (Pyrenula nitida), een soort die alleen groeit op zeer oude beukenhagen. Niet alleen bij deze soort, maar bij veel korstmossoorten heb je een loep nodig om de soort goe te kunnen bekijken en op naam te krijgen. Je moet op de foto letten op de zwarte “bolletjes”, waarvan er een aantal te zien zijn. De soort is slechts bekend uit 26 atlasblokken in Nederland. Het is goed om te weten dat een korstmos bestaat uit de symbiose van een schimmel en een alg; kortom een samenwerkingsvorm tussen twee organismen. Samen vormen ze als het ware één functionele eenheid.
|
|
Ook een vijfde interessante kortsmossoort ontsnapte niet aan de aandacht. Het gaat om Groene Veenkorst (Trapeliopsis pseudogranulosa). Het was de enige soort van dit vijftal die op deze dag niet op een beuk werd gevonden Dat was weliswaar in de onderhavige situatie ook op hout; maar niet op beuk, maar waarschijnlijk op zomereik. Let bij deze foto vooral op de lichtgroene “bolletjes”. De soort komt niet alleen voor op bomen, maar ook op steen en op de grond. Groene veenkorst is al een stukje algemener en komt voornamelijk voor op de hogere zandgronden. Het maakt deze mooie serie korstmossen in Baarn compleet. Na daar met dat koude weer een paar uur te hebben rondgelopen, was de lol er ook wel zo’n beetje af. Je moet er natuurlijk wel iets voor over hebben.
|
|
Van 19 op 20 januari en ook nog daarna kregen we in ons land te maken met het Noorderlicht, ook wel Poollicht genoemd. Het is een spectaculair natuurfenomeen waarbij atomaire deeltjes van de zon in de hoge atmosfeer van de aarde golven of gordijnen van groene en rode kleuren aan de (heldere) hemel vormen. De kenners noemen het Aurora borealis. Klinkt ook mooi. Wij rekenen alle drie namen goed. Voor veel fotografen staat dit “wandelende” spektakel hoog op de bucketlist. Normaliter is het vooral in Scandinavië te zien. Het Noorderlicht wordt veroorzaakt doordat ons aardmagnetisch veld behoorlijk wordt opgeschud. Veel deeltjes in dat veld worden dan naar de polen gericht, waarbij ze botsen met onze atmosfeer. Daar komt licht bij vrij. Afhankelijk van de hoogte is de kleur ofwel rood of groen of beide, zoals te zien op bijgaande foto met daarbij ook nog eens een voorbijrazende trein. Men zegt dat de kans groot is dat we dit natuurverschijnsel in Nederland in de toekomst vaker gaan zien
|
|
Naast de beschreven roodgroene gloed aan het firmament was er enkele dagen later ook een felle groene strook te zien boven ons land, zoals te zien op bijgaande foto. Er was die avond sprake van wederom een behoorlijk sterke geomagnetische storm, waarbij de “Aurora” een stuk zuidelijker kwam dan te doen gebruikelijk. Dit verschijnsel gebeurt hooguit één tot twee keer per jaar. Het een en ander was goed zichtbaar doordat er nauwelijks bewolking was. Bovendien gebeurde het op een tijdstip aan het einde van de avond en niet midden in de nacht. Het noorderlicht verschijnt even vaak als vroeger. Nu heeft iedereen op z’n minst een mobiele telefoon op zak en ben je via social media vroegtijdig op de hoogte van wat er gaat komen, dus zien we ook meer bijzondere plaatjes voorbijkomen.
|
Samenstelling: Wim Wijering E-mail: [email protected]
Foto’s: Leo, Fons, Selva en Wim Wijering, Jaimey Wilbers en Marcel Grunder.
Foto’s: Leo, Fons, Selva en Wim Wijering, Jaimey Wilbers en Marcel Grunder.
Er zijn deze maand – zoals te doen gebruikelijk – meer natuurfoto’s gemaakt; evenwel zonder toelichting. Klik op “Hier” of surf eenvoudigweg naar de rubriek “Recente Foto’s” om ook van deze foto’s te kunnen genieten.