natuurkalender april 2026
April 2026 gaat de boeken in als een zeer droge, maar vooral ook erg warme maand. Dat leverde aan het eind van de maand zelfs enkele fikse bosbranden op. In de nachten koelde het evenwel flink af. De lente was overal voelbaar en menigeen trok er dan ook graag met de camera op uit.
Dat leverde heel wat natuurplaatjes op. Daartoe 13 vogelsoorten, te weten: grote Canadese gans, roodhalsfuut, wilde eend, groene specht, koekoek, zanglijster, kleine plevier, gekraagde roodstaart, bonte vliegenvanger, paapje, tjiftjaf, vuurgoudhaan en op de valreep nog een hop.
De florawereld was dit keer goed voor: donkersporig bosviooltje, holwortel en lavendelhei. Uit de categorie vlinders en libellen komen aan bod: hooibeestje, oranjetipje en vuurjuffer. Drie soorten uit de overige insectenwereld passeren ook de revue. We hebben het over de veenbijvlieg, het veenblaaskaakje en de nog niet eerder in Nederland aangetroffen populierenschorswants.
Verder tonen we uit het schimmelrijk de ruitjesbovist en het eikenspinragschijfje. We beginnen nu eerst echter met 2 foto’s van bittervoorntjes.
Dat leverde heel wat natuurplaatjes op. Daartoe 13 vogelsoorten, te weten: grote Canadese gans, roodhalsfuut, wilde eend, groene specht, koekoek, zanglijster, kleine plevier, gekraagde roodstaart, bonte vliegenvanger, paapje, tjiftjaf, vuurgoudhaan en op de valreep nog een hop.
De florawereld was dit keer goed voor: donkersporig bosviooltje, holwortel en lavendelhei. Uit de categorie vlinders en libellen komen aan bod: hooibeestje, oranjetipje en vuurjuffer. Drie soorten uit de overige insectenwereld passeren ook de revue. We hebben het over de veenbijvlieg, het veenblaaskaakje en de nog niet eerder in Nederland aangetroffen populierenschorswants.
Verder tonen we uit het schimmelrijk de ruitjesbovist en het eikenspinragschijfje. We beginnen nu eerst echter met 2 foto’s van bittervoorntjes.
|
Ook een afbeelding van het vrouwtje willen u van het Bittervoorntje (Rhodeus amarus) niet onthouden. Ze zijn qua kleur (zilverachtig) lang niet zo opvallend als de mannetjes. Mooi op de foto is echter wel de lange legbuis te zien van waaruit de eitjes worden geperst. Dat doen ze in een zoetwatermossel. De mannetjes leiden de vrouwtjes ernaartoe. Het vrouwtje zet per keer één tot vier eieren af. Deze gang van zaken wordt vele malen herhaald, totdat het vrouwtje alle eieren heeft afgezet. Dat zijn er hooguit 100. Dit aantal lijkt misschien veel, maar is voor een vis ongebruikelijk laag. Men is er nog niet zo lang achter dat de bittervoorn waarschijnlijk een ingeburgerde exoot is die rond 1100 in West-Europa is geïntroduceerd. Zeer waarschijnlijk zijn ze van origine afkomstig uit de zoete wateren rond de Kaspische- en Zwarte zee.
|
We schrijven begin april 2026. De Bittervoorntjes (Rhodeus amarus) zijn in paaikleed, althans de mannetjes. Deze zijn - zoals op de foto te zien - te onderscheiden aan de felrode vlek in het oog. Ook worden de kleuren van het lichaam in de paaitijd zeer intensief. De aarsvin wordt oranje, evenals een gedeelte van de rugvin. Het lichaam krijgt zelfs een lila glans. De soort behoort tot de karperachtigen en houdt van schoon rustig stromend water. Leven doe ze in kleine scholen. De soort zit gelukkig weer enigszins in de lift. Dat was enkele decennia geleden duidelijk anders. Volwassen bittervoorns zijn doorgaans 5 à 6 cm groot. Een enkele keer worden ze wat groter, tot ongeveer 9 cm.
|
|
Precies op schema kon door één van onze fotografen de eerste juffer alweer op de kiek worden gezet. Afgebeeld is de Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula), de vroegste soort in Nederland. Het uitsluipen gebeurt van half april tot begin juli, met een piek in mei en begin juni. Deze juffersoort is 33 tot 36 mm lang. Het is een vrij grote juffer met zwarte poten. Zoals uit de naamgeving valt af te leiden zijn het vlammend rode beestjes, die je vooral bij plasjes en vijvers kunt tegenkomen. Op de foto ziet u een vers vrouwtje, waarbij de schouderstrepen nog geel van kleur zijn. De mannetjes zijn qua kleurtekening overigens fraaier dan de vrouwtjes. Locatie: Arboretum Poortbulten in de Lutte
|
|
Een bezoek aan het Geuldal bij Valkenburg leverde onder meer dit Vuurgoudhaantje (Regulus ignicapilla) op. De soort is nauw verwant aan het bekendere Goudhaantje Regulus regulus). Vuurgoudhaantjes en goudhaantjes zijn de kleinste vogels van Europa. Ze zijn niet veel groter dan 9 cm en hebben een gewicht van amper 5 gram. Goudhaantjes maken hun nest hangend in een kommetje onder aan een tak van een naaldboom (mos met spinrag). Vuurgoudhaantjes daarentegen maken een kogelvormig nest. Als broedvogel bewoont deze vooral middeloude tot oude sparrenbossen. In tegenstelling tot z’n neefje is hij echter ook tevreden met enkele sparren in loofbos. In Zuid-Limburg broedt hij zelfs in puur loofbos, maar dan moet er wel klimop in de buurt zijn. Het vuurgoudhaantje is goed te herkennen aan met name de witte wenkbrauwstreep. Het is een goed teken als je de zang van beide soorten nog kunt horen, want dan mankeert er niets aan je oren.
|
|
Echt mooie voorjaarsbossen kom je in Nederland nauwelijks nog tegen. Het Samerott in Duitsland met zijn uitbundige voorjaarsflora is een aanrader, temeer omdat we er vanuit onze omgeving in een half uurtje naartoe kunnen rijden. Het is al een heel oud bos, wat al in 1100 wordt beschreven. Je treft hier op floragebied naast volop speenkruid en bosanemoon ook bijzondere soorten aan als bosviooltje, aronskelk, slanke sleutelbloem, schedegeelster, eenbes, maar ook de hier afgebeelde Holwortel (Corydalis cava). De laatste soort is in ons land een vrij zeldzame stinsenplant; met name in onze noordelijke provincies. De soort behoort tot de papaverfamilie. De holwortel bloeit – afhankelijk van de weersomstandigheden - vaak al in maart. De naam is afgeleid van de knol van de plant, die van binnen hol is.
|
We kennen in ons land twee soorten bosviooltjes. Dat zijn achtereenvolgens het Donkersporig Bosviooltje (Viola reichenbachiana) en het Bleeksporig Bosviooltje (Viola riviniana). De eerste soort was op dezelfde locatie – weliswaar verspreid - “en masse” te vinden. Beide soorten vallen op door hun spits toelopende kelkslippen en zijn blauwpaars gekleurd. Het donkersporig bosviooltje bloeit eerder dan z’n bleeksporige neefje. De afgebeelde soort (reichenbachiana) is in loofbossen te vinden op voedselrijke gronden. Dat is slechts het geval in het rivierengebied, in oost Nederland, in de bossen rondom Nijmegen en - zoals hier - in Zuid-Limburg.
Een ander interessante florasoort is Lavendelhei (Andromeda polifolia. Dit dwergstruikje van onze hoogvenen is een behoorlijk zeldzame soort, die in Nederland sterk is afgenomen door verdroging en verruiging. Gras en berken hebben hun leefgebied namelijk behoorlijk gedecimeerd. In het Haaksbergerveen komt deze fraaie heidesoort gelukkig nog voor. Je kunt ze vinden tussen veenmossen, veenpluis en op natte, zure ongestoorde grond. Het zijn vaak de laatste plekken waar het hoogveen nog min of meer intact is. Daar staat ze: klein, sierlijk en lichtroze bloeiend in het veen. Haar aanwezigheid laat zien dat het Haaksbergerveen gelukkig nog steeds leeft!
|
|
Ook het Paapje (Saxicola rubetra) was in het verleden een lokale broedvogel van open, vochtige terreinen in het Haaksbergerveen. Net als elders in Nederland is de soort hier sinds 2000 sterk afgenomen, waarbij de classificatie moest worden aangepast van incidenteel broedend naar onregelmatige vestiging. In 2021 werd nog maar één enkel territorium (met broedindicatie) vastgesteld. Dat is het laatste goed gedocumenteerde (waarschijnlijke) broedgeval in het gebied. Zie onder meer: Sovon Vogelonderzoek Nederland - Broedvogelinventarisatie Haaksbergerveen 2021. De kans is groot dat het afgebeelde exemplaar slechts op doortrek was en op weg naar z’n uiteindelijke broedgebied.
|
|
In het Haaksbergerveen kon ook dit Hooibeestje (Coenonympha pamphilus) op de gevoelige plaat worden vastgelegd. De soort staat nog steeds te boek als algemene dagvlinder. Ze komen in behoorlijke aantallen voor op schrale graslanden en zandgronden. Volgens de gegevens van het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting) en de Nationale Databank Flora en Fauna toont de langjarige trend een stijgende lijn aan voor deze soort. Dat kan bij lange na niet gezegd worden van tal van andere dagvlindersoorten. De vliegtijd van het hooibeestje loopt van eind april tot eind september. Tegenwoordig wordt de soort trouwens al geregeld in maart waargenomen. Er zijn twee elkaar overlappende generaties. In dit geval is dat de voorjaarsvorm. Voor de ei-afzet is het hooibeestje afhankelijk van allerlei soorten grassen
|
Een echte aprilvlinder is het Oranjetipje (Anthocharis cardamines), waarvan het mannetje, zoals te zien op deze zij-aanzichtfoto, gemakkelijk te herkennen is aan de oranje tippen van de voorvleugels. Bij de vrouwtjes ontbreekt deze oranje tekening. De mannetjes verschijnen één tot twee weken eerder dan de vrouwtjes en houden er vaste vliegroutes op na. Als nectarbron en waardplant gebruikt deze voorjaarsvlinder met name pinksterbloem (zoals op de foto), maar ook look zonder look. Je kunt oranjetipjes aantreffen op vochtige graslanden, maar ook op half beschaduwde plekken. Vrouwtjes paren slechts eenmaal. Een zittend vrouwtje dat door een al te opdringerig mannetje benaderd wordt, steekt dan ook ~ als ze al gepaard heeft ~ haar achterlijf in de lucht ten teken dat ze niet nog eens wil paren
|
In het Gelderse kon deze maand ook een Tjiftjaf (Phylloscopus collybita) worden vereeuwigd. Bij een blik op de PC bleek dat dit zangertje geringd was. Ook al bevond het beestje zich op nog geen 3 meter van de fotograaf, dan nog viel van de inscriptie op de ring weinig te maken. Het ringen is een methode om de verplaatsingen en de sterfte, reproductie, immigratie en emigratie van wilde vogels te bestuderen. De gegevens kunnen helpen bij het opsporen van oorzaken van voor- en achteruitgang van vogelpopulaties. Concreet betekent het dat er aan de poot van de vogel een lichte, genummerde ring wordt aangebracht. Op elke ring staat een unieke code samen met het adres van de voor de ring verantwoordelijke wetenschappelijke instelling. Deze unieke code bestaat uit een nummer of een combinatie van cijfers en letters
|
|
Ook dit mannetje van de Gekraagde Roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) mocht op dezelfde locatie rekenen op evenzovele aandacht. Deze roodstaartsoort staat te boek als holenbroeder. Gek genoeg maken ze echter niet of nauwelijks gebruik van nestkasten. Niet zoals bijvoorbeeld de bonte vliegenvanger, die juist volop gebruik maakt van deze woonruimte. Mannetjes, zoals op de foto, zijn opvallend getekend met een oranjerode borst, een zwarte keel en een wit voorhoofd. Als je ze wat langer observeert, is vaak het karakteristieke trillen van de staart te zien. Deze tamelijk schuwe zangvogel is, net als vele andere soorten, lang niet meer zo algemeen als enkele 10-tallen jaren geleden. Overwinteren doen ze ten zuiden van de Sahara
|
De hiervoor genoemde Bonte Vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) is binnen onze gelederen een belangrijke nestkastsoort. Voor zover bekend is er in heel Nederland geen plek te vinden waar zoveel bonte vliegenvangers jaarlijks tot broeden overgaan. Dat heeft alles te maken met het grote aantal nestkasten wat hier hangt. Eén der onzen heeft van deze holenbroeder een zeer opmerkelijke foto gemaakt, zoals uzelf kunt constateren. Het beestje werd op de gevoelige plaat vastgelegd tijdens het badderen, waarbij de nek bijna 180 graden gedraaid werd. Doe dat maar eens na! De soort behoort in Nederland tot de Midden-Europese populatie. De mannetjes hiervan hebben een grauwbruine rug. De soort staat bekend als lange afstandstrekker, die vooral ‘s nachts vliegt.
|
|
Van dezelfde fotograaf is ook deze foto van een mannetje Groene Specht (Picus viridus), die z’n kop maar net boven het maaiveld uitsteekt. Dit gezegde heeft in de grotemensenwereld niet altijd een even positieve betekenis. De groene specht hoor je overigens vaker dan dat je ‘m ziet. Zijn “lach” is vaak van grote afstand al te horen. Het rood onder het oog bij dit exemplaar verraadt dat het een mannetje is. Bij vrouwtjes is dit zwart. De groene specht is na de “grote bonte” de meest talrijke en verspreide specht in ons land. Ze zijn bovendien erg honkvast. Waarnemingen ver buiten zijn territorium komen maar heel sporadisch voor.
|
Wat dichter bij huis kon deze Ruitjesbovist (Calvatia utriformis) worden gefotografeerd. Het is een grote stuifzwam, die vooral voorkomt op warme en droge standplaatsen. Volgroeide vruchtlichamen kunnen wel 25 centimeter breed en 20 centimeter hoog worden. Ze verschijnen alleen of in kleine groepjes in open graslanden op zandige bodem. Vanwege de witte kleur en de forse afmetingen vallen de bekervormige zwammen tegen een groene achtergrond extra op. Ze lijken ~ met heel veel fantasie ~ wel wat op omgekeerde witte peren. De basis van de paddenstoel kan lange tijd, soms zelfs tot het volgend voorjaar, achterblijven. De levensduur van een vruchtlichaam kan dan ook zomaar meerdere maanden bedragen.
|
|
Het Eikenspinragschijfje (Arachnopeziza aurelia) zou op Koningsdag met al die kleine oranje schijfjes zeker niet misstaan. Het is apart om te zien hoe “het spinnen rag” van deze vertegenwoordiger uit het schimmelrijk de verbinding vormt tussen diverse vruchtlichaampjes. De soort wordt gerekend tot de ascomyceten (schijfzwammetjes en verwante soorten). Veel is er over deze soort niet bekend. Wel weten we dat ascomyceten een belangrijke rol spelen in veel ecosystemen. De vruchtlichamen vormen daarnaast voedsel voor verschillende diersoorten. Dat varieert van insecten en slakken tot knaagdieren en grote zoogdieren als reeën en wilde zwijnen.
|
|
Actiefoto’s zijn altijd zeer gewild. Zo ook van deze Grote Canadese Gans (Branta canadensis) die bezig was om een grauwe gans uit z’n territorium te verjagen. Dat ging er behoorlijk heftig aan toe, hetgeen valt af te lezen aan de agressieve reactie. Het zal wel zoiets zijn als: “Rot op!” De grote Canadese gans is de laatste decennia met een succesvolle opmars in ons land bezig. Van nature kwam de soort in Nederland niet voor, zoals de naam al doet vermoeden. Zijn oorspronkelijk leefgebied is namelijk gelegen in Alaska, Canada en de noordelijke staten van de VS. Ruim drie eeuwen geleden werd de soort in Engeland ingevoerd. Ook in Scandinavië werden er destijds vogels uitgezet. Vanuit beide gebieden hebben ze gaandeweg Nederland bevolkt, waar ze zich intussen blijvend hebben gevestigd. Het aantal broedparen ligt nu pakweg op 15.000.
|
|
Bij de Doorbraak tussen Bornerbroek en Almelo kon deze maand warempel ook een Roodhalsfuut (Podiceps grisegena) worden geportretteerd. Deze fuutachtige heeft een voorkeur voor vrij kleine, ondiepe wateren met drijvende vegetatie. In tegenstelling tot de gewone fuut is de roodhalsfuut voor Nederlandse begrippen een zeldzame broedvogel. Hij is wat kleiner dan de gewone fuut. Ze zijn vooral te herkennen aan de gele snavelbasis wat je overigens ook ziet bij de kleinste fuutachtige van ons land; de dodaars. In de winter mist de roodhalsfuut zijn roodbruine hals. Het is voor Twentse begrippen, maar ook elders, geen alledaagse verschijning
|
|
Bij ons bekende plekkie in Reutum kwam plots het vrouwtje van een Wilde Eend (Anas Platyrhynchos) tevoorschijn om te showen dat ze vooralsnog 7 kerngezonde jongen heeft voortgebracht. Het gaat echter niet goed met de wilde eend in Nederland. Onderzoek heeft uitgewezen dat er sprake is van een te lage kuikenoverleving. Volgens Sovon vogelonderzoek zijn er minstens een kwart minder wilde eenden dan in 1990. Dat betekent dat meer dan 100.000 broedpaartjes zijn verdwenen! Onderzoekers hebben vastgesteld dat het vooral misgaat bij de opgroei van de kuikens; ze worden gewoonweg niet volwassen. Oorzaken zijn onder meer: het beperkte aanbod van insecten voor de kuikens, niet zelden te geringe oevervegetatie om te schuilen en gek genoeg doen kuikens het slechter in helder water dan in troebel water, waardoor ze eerder worden gepredeerd.
|
|
Vrijwel elk jaar zijn er in de buurtschap Dulder bij Saasveld Kleine Plevieren (Charadrius dubius) te zien. Het is een echte pioniersoort. Dat wil zeggen dat hij op plekken broedt die meestal alleen tijdelijk geschikt zijn om er jongen groot te brengen, zoals afgravingen, bouwplaatsen, opspuitingen, grintgaten e.d. Op deze locatie broeden ze niet zelden tussen de kruidenvegetatie van een akkerland. De kleine plevier wordt niet zelden verward met de bontbekplevier. Die laatste heeft een oranje snavelbasis, oranje poten en geen geel oogringetje. Bovendien is de bontbekplevier veel meer aan de kust te vinden. De kleine plevier houdt meer van het binnenland (zoetwatermilieu). Goede determinatiekenmerken van de kleine plevier zijn de vleeskleurige poten, het gele oogringetje en de zwarte snavel, hetgeen op de foto goed te zien is.
|
|
Bij één van onze fotografen in het Albergse werd bijgaande opname gemaakt van een Zanglijster (Turdus philomelos), die het bankje van Bentheimer zandsteen als smidse gebruikt. Hierop slaat hij de slakkenhuisjes kapot en peutert de inhoud eruit. Dat is op deze foto mooi te zien. Zelfs het “wegvliegende” slakkenhuis is nog zichtbaar. Rondom het bankje lagen nog veel meer gekraakte slakkenhuizen. Als je dit soort natuurlijke vrienden in je tuin hebt, hoef je geen slakkenkorrels o.i.d. te gebruiken om slakken te bestrijden. Zanglijsters broeden bijna overal waar voldoende bomen en struiken aanwezig zijn. De dichtheden zijn nergens zo hoog als in gevarieerd loofbos en in jonge aanplant
|
|
Vanaf half april is de Koekoek (Cuculus canorus) weer te horen en te zien. In ons land is ze gelukkig nog redelijk goed vertegenwoordigd, maar nergens talrijk. Nochtans neemt jammer genoeg deze soort al tientallen jaren af. Pakweg half mei is de broedpopulatie doorgaans compleet. Zoals bekend legt de koekoek haar ei in het nest van andere zangvogels om er daarnaar niet meer naar om te kijken. Jonge vogels worden dan ook grootgebracht door pleegouders. Dat zijn onder meer: kleine karekiet, bosrietzanger, heggenmus, graspieper, en ook witte- en gele kwikstaart. Het komt voor dat volwassen koekoeken al eind juni, meteen na de eileg, weer ons land verlaten. Jonge vogels, die nog lang van hun pleegouders afhankelijk zijn, vertrekken veel later. De laatste koekoeken verdwijnen in september en een enkele keer zelfs begin oktober.
|
|
Eveneens in het Nationaalpark de Groote Peel werd ook het Gevlekt Blaaskaakje (Myopa tessellatipennis) ontdekt. Het is een vliegensoort, die behoort tot de zogeheten blaaskopvliegen. Ze zijn ongeveer 7 - 10 mm groot en komen algemeen in ons land voor. Blaaskopvliegen zijn meestal slanke vliegen met een zeer divers uiterlijk. Er zijn kleine overwegend zwarte vliegjes van 3 tot 5 mm, andere zijn groter en vrijwel geheel roodbruin. Het merendeel is evenwel geelzwart gekleurd, al dan niet met een gesteeld achterlijf. Sommige soorten zijn gemakkelijk te verwarren met enkele zeldzame fopblaaskoppen. Alle blaaskopvliegen parasiteren op onder meer bijen, wespen en hommels.
|
We maken nu een switch naar de ook altijd boeiende insectenwereld. Allereerst maar deze Veenbijvlieg (Eristalis picea), die in ons land vrij algemeen voorkomt. Zoals de naam al zegt moet je deze zweefvlieg echter wel zoeken in veen- en plassengebieden, zoals in dit geval de Grote Peel. Het is een moeilijk te herkennen soort. Het beestje lijkt namelijk sterk op de Bosbijvlieg (Eristalis horticola), maar heeft een zwart gezicht, glimmende vlekken op rugplaatje 2 en een uitgebreider veld korte zwarte haren op de voordij. Belangrijk is natuurlijk om je te realiseren in welk biotoop je ze tegen kunt komen. Bij de veenbijvlieg vooral moet je letten op het donkere gezicht.
|
|
De 3e soort uit de insectenserie is meteen een hele bijzondere. Het betreft namelijk de Populierenschorswants, een nieuwe soort voor Nederland. Voordat de officiële erkenning er is, gaan er zich ongetwijfeld nog enkele specialisten en / of commissies over buigen. Bij Waarneming.nl hebben we ‘m nu vooralsnog moeten invoeren als Tonderzwamschorswants (Aradus betulae), maar dat gaat over een poosje veranderen. De foto van een nimf is gemaakt door onze jongste natuurfotograaf, die op zijn beurt was getipt door twee natuurvrienden, die in een eerder stadium ook al op dezelfde locatie een volwassen exemplaar hadden gevonden. Beide beestjes werden aangetroffen onder de schors van een kolossale dode populier. Eén van deze twee vrienden is wat men noemt een wandelende encyclopedie, die minutieus onderzoek doet naar vooral “hele kleine beestjes”.
|
|
De slotfoto hebben we deze keer bewaard voor deze prachtige Hop (Upupa epops), die zich op de laatste dag van de maand fraai liet portretteren in Weerselo. Ook in dit geval was er sprake van een tip en wel van “oons Gem”, die deze bijzondere waarneming vlak bij haar huis wist te melden. Dolenthousiast was ze over deze fraaie soort met z’n mooie kuif. De Hop is zo’n markante verschijning dat hij eigenlijk niet te verwarren is met welke andere soort dan ook. De vogel werd gesignaleerd op de grond, op zoek naar voedsel (emelten, engerlingen, wormen e.d.). Ze kiezen voornamelijk grasveldjes uit met niet al te lang gras, zo ook in dit geval. De vogel is doorgaans niet schuw, maar wel alert. Uiteraard werd alles in het werk gesteld om deze bijzondere soort gefotografeerd te krijgen. En dat dat prima gelukt kunt u hier zien.
|
Samenstelling: Wim Wijering E-mail: [email protected] Tel. 06.46202123
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink en Jaimey Wilbers.
De foto’s zijn dit keer gemaakt door: Leo, Fons en Wim Wijering, Laurents ten Voorde, Marcel Grunder, Rob Zonder, Hennie Gunnink en Jaimey Wilbers.
We hebben samen nog veel meer natuurfoto’s gemaakt. Die staan in een andere fotorubriek; evenwel zonder toelichting. Klik op “Hier” of surf eenvoudigweg naar de rubriek “Recente Foto’s” om nog veel meer mooie foto’s te bekijken.